Posts tonen met het label Doelen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Doelen. Alle posts tonen

zaterdag 5 oktober 2024

Een hele resem woordzoekers voor je keuzemuur of kieskast

 Ik deelde jullie hier al wat spelletjes om bij de keuzemuur of je kieskast in te zetten, maar ik stel je graag ook nog eens mijn lading woordzoekers voor. Hieronder zie je de eerste helft van de thema's (alfabetisch) met het aantal woorden die er moeten gezocht worden.

Auto (18 woorden) - beroepen (21 woorden) - Bijbelse figuren (31 woorden) - bloemen (21 woorden) - bomen en struiken (16 woorden) - bosdieren (23 woorden), boten (19 woorden), computertermen (21 woorden), dagen, maanden en seizoenen (22 woorden), dieren van de dierentuin (20 woorden) - dierengeluiden (21 woorden), dranken (22 woorden), Europese landen (20 woorden) - familie (23 woorden), feest (20 woorden), fruit en noten (24 woorden), gebouwen (19 woorden), gereedschap (20 woorden), groenten (23 woorden), handen (24 woorden), heelal en ruimtevaart (19 woorden), het weer (25 woorden), hoofdsteden (25 woorden), hoofdsteden (25 woorden), in de keuken (22 woorden), in de klas (18 woorden), in en rond het huis (24 woorden), insecten (19 woorden).

Zoals je ziet, hier kun je toch al een eind mee verder. Heb je geen kieskast of keuzemuur, dan kan het een leuke instap of afsluit van je taal- of weroles zijn.

De woordzoekers zien er eigenlijk allemaal een beetje hetzelfde uit. Mensen die me al langer volgen weten dat ik wel van wat uniformiteit hou :). Ik deelde ze hier ooit al, maar ik paste ze aan en voorzag sommigen ook van wat woorduitleg (want de woordenschat van de leerlingen is soms eerder beperkt). In eerste instantie krijgen de kinderen uitleg, later introduceer ik Google zodat kinderen zelf op zoek kunnen gaan naar de betekenis van het woord. Op die manier vink je trouwens ook wat doelen rond de pc af!


Woordzoeker 'auto'

Hierboven kun je de woordzoeker rond auto downloaden, maar uiteraard zijn deze eerste lading spelletjes ook integraal te verkrijgen. Het enige wat je hoeft te doen, is een reactie hieronder achterlaten of zelf een mailtje sturen naar gietjescorner@hotmail.com. Dan krijg je meteen 27 woordzoekers ter beschikking!

Je kunt er voor opteren om een aantal woordzoekers uit te delen (die bijvoorbeeld bij een gegeven thema passen) zodat de kinderen in hun spelletjesmap steeds wat werkbladen zitten hebben of je kunt ze in de kieskast klaarleggen.

Nog op zoek naar doelen die hierbij passen, dan reik ik je dat hieronder ook aan:

 ZILL-doelen:

·        TOtn2 Nadenken over de belangrijkste aspecten van het taalsysteem. Daarbij taalbeschouwelijke termen gebruiken

               Inzetten van woordstrategieën op initiatief van en met hulp van de leraar:

-        een afbeelding zoeken

·        MEmw1 Media enthousiast en positief aanwenden

Nieuwsgierig zijn naar media en genieten om ermee bezig te zijn – de wereld van de media met een open houding exploreren

Interesse tonen voor (nieuwe) media en hun mogelijkheden en deze mogelijkheden gebruiken

·        MEge2 Passende mediamiddelen kiezen, gebruiken en combineren in functie van een beoogd doel (vooral gebruiken hier)

·        MEva1 Technische en instrumentele computervaardigheden ontwikkelen

-        ICT-basisvaardigheden ontwikkelen voor het bedienen van mediamiddelen waaronder: swipen, muisvaardigheden, toestel aan- en uitzetten, selecteren, openen en sluiten van applicaties, venster minimaliseren, maximaliseren en sluiten …

-        Het toetsenbord exploreren

-        Zich aan- en afmelden

·        MEva3 Digitale informatievaardigheden ontwikkelen

Navigeren en zoeken binnen een digitale toepassing waaronder voor leerlingen bestemde webpagina’s, educatieve software …

 Lesdoelen:

·        De leerlingen kunnen woorden zoeken in een letterrooster

·        De leerlingen kunnen woorden die ze niet begrijpen zelfstandig via de computer (en de zoekmachine Google) opzoeken

·        De leerlingen kunnen rustig samenwerken of alleen aan de slag gaan



Wil je aantonen dat kinderen woordzoekers mogen maken, dan heb ik weer een pictogram voor de keuzemuur!



Wil je ook gebruik maken van dit pictogram? Klik dan op onderstaande link.


Hou Gietjes Corner in de gaten want van zodra alle andere woordzoekers op punt staan, worden deze hier uiteraard ook gedeeld!

dinsdag 1 oktober 2024

Boggle, een keileuk puzzelspel met letters

Ik postte het volgende spel hier al een aantal keer, maar dat is ook alweer ettelijke jaren geleden. Vandaar dat ik het graag nog eens in the picture zet. Je hebt er helemaal niet zoveel materiaal voor nodig en het is een ideaal tussendoortje met de hele klas! Al kan het ook in kleinere groepen worden gespeeld. Waar ik het over heb? Over Boggle! 

Jaren terug was het in mijn klas onderdeel van mijn spelletjeskwartier, maar je kan het spel zeker ook op zichzelf gebruiken. Wil je meer weten over dat spelletjeskwartier, kijk dan zeker eens terug naar het artikel over de sudoku's van 23 september.

Eerst en vooral heb je letterkaarten nodig en deze zijn hier al op mijn blog te vinden. Kijk daarvoor terug naar 'Een letterdoos voor je bord.

De letterkaarten zien er zo uit...


Ik maakte er een hele serie waardoor ik ze niet dubbel hoef te gebruiken. De letterkaarten voor Boggle verzamelde ik in de volgende zelfgemaakte tas...


Je kunt hiermee gevarieerd aan het werk gaan. Doorheen het schooljaar voegde ik er altijd klanken aan toe. Je kunt ook opteren om enkel met letters te werken, in plaats van met klanken. De letters op mijn tas zijn nog steeds in de kleuren van mijn oude letterkaarten, maar ik vond een nieuwe zak maken een beetje van het goeie te veel en vooral geen prioriteit.

Vul de zak met letterkaarten en laat iemand uit de klas 16 kaarten trekken. Als je enkel letters gebruikt, stop dan bepaalde letters wel een aantal keer in de tas. Zo kunnen er langere woorden gemaakt worden.
Voorzie de kaartjes ook van magneetlint of velcro. Het hangt er natuurlijk van af waar je ze wil gaan ophangen. 

Binnen een afgesproken tijd is het dan de bedoeling om zoveel mogelijk woorden met de gegeven letters te maken. Ze mogen elke letter maar één keer gebruiken (tenzij er natuurlijk 2 dezelfde letters aan het bord hangen). Je kunt de kinderen alleen laten werken, maar het werkt ook zeker met twee per groepje. Dan zijn de kids soms net iets creatiever of gemotiveerder. 

De woorden worden op een scoreblad genoteerd en dat ziet er dan als volgt uit...


Het schrijfblad kun je hieronder downloaden.

Omdat ik weet dat er in veel scholen nogal sterk op het maken van een agenda gehamerd wordt, zocht ik een hele tijd ook passende doelen bij dit spel. Je vindt ze hieronder...

Doelstellingen:

 ZILL-doelen:

·        TOtg1 Plezier beleven aan taal en het spelen met taal

·        IKvk2 Hoopvol geloven in en vertrouwen op de eigen leef-, leer- en ontwikkelkracht

Ervaren hoe mensen elkaar kunnen steunen en motiveren om zich te ontwikkelen – steun en aanmoediging van anderen toelaten – ervaren hoe men zelf steun kan bieden aan anderen en anderen kan motiveren – ontdekken hoe belangrijk het is voor alle mensen om innerlijk vrij te kunnen zijn

·        SErv3 Samenwerken met anderen en zo bijdragen aan het realiseren van een gemeenschappelijk doel

Op een gezonde manier omgaan met competitie – elkaar aanmoedigen

 Lesdoelen:

·        De leerlingen kunnen verwoorden hoe het spel Boggle in elkaar zit

·        De leerlingen kunnen verwoorden hoe commentaar invloed heeft op welzijn, functioneren en resultaat

·        De leerlingen kunnen verwoorden waarom aanmoedigen, steun en samenwerken belangrijk is

·        De leerlingen kunnen verwoorden wat ze zelf aangenaam vinden

·        De leerlingen kunnen een klasgenoot op een positieve manier aanmoedigen




Tot gauw!






zondag 14 november 2021

De ontwikkeling van het wiskundig denken volgens ZILL én mezelf

 We zijn er nu al een aantal jaar mee vertrouwd, met dat nieuwe leerplan ZILL (voor het katholiek onderwijs). Maar dat wil niet zeggen dat ik het boek al door en door ken. Ik ben daar heel eerlijk in, het duurt wel een tijdje voordat ik alle doelen onder de knie heb. En daarmee wil ik zeggen: weten wat er in staat, maar ook waarvoor ze staan en hoe ik ze wil gaan vertalen (of bereiken) naar/voor (en met) mijn klas.

 Eigenlijk weet ik na een tiental jaar in hetzelfde leerjaar vooral waarvoor mijn leerlingen staan. Wat is er 'normaal' op die leeftijd, waar liggen de pijnpunten en waar kan ik iets harder doorfietsen? Uiteraard hangt veel van je klasgroep af en is het elk jaar weer aanpassen, maar er is wel een kern waar je steeds opnieuw rond kan werken. 

Misschien weten jullie intussen al dat ik eigenlijk helemaal niet van handleidingen hou. Het is mijn droom om voor elk vakonderdeel alles zelf uit te werken (uiteraard vaak wel gebaseerd op bestaand materiaal) en van daaruit aanpassingen te doen als er nieuwe handleidingen op school worden voorgesteld. Vroeger dacht ik dat ik na een vijftal jaar in hetzelfde leerjaar dringend nood aan verandering zou hebben, maar ik moet zeggen dat ik daar nu anders tegenover sta. Ik wil immers nog zoveel met mijn tweedeklassers dat een nieuwe uitdaging naar mijn gevoel zeker nog niet aan de orde is. Ooit wel. Maar ik weet nu al dat er tijd te kort zal zijn ;).

In het verlengde weekend haalde ik mijn bak met rekenhandleidingen nog eens uit de garage. Ik verzamel en verzamel maar waardoor mijn werkplek soms (oké, vaak) meer een hindernissenparcours dan een bureau is en ook mijn opbergruimte wordt steeds beperkter. De opmerkingen van mijn partner, ouders en bezoekers blijven dan ook niet uit. Ze hebben gelijk, maar er is zo weinig tijd en er speelt zoveel door mijn hoofd. Maar wat extra dagen congé geven me dikwijls een duwtje in de rug en daarom probeerde ik de voorbije dagen toch weer wat orde op zaken te stellen. Zowel in een aantal ruimtes thuis, als in mijn hoofd. Want die zijn toch onlosmakelijk met elkaar verbonden :).

Ik heb heel wat werkboeken van rekenen ter beschikking (waarvoor ik mijn directie zeker moet bedanken) en daar haal ik dan de beste oefeningen uit voor mijn klas. Want wat heb ik toch altijd commentaar op de makers. Neem het niet persoonlijk, moesten jullie meelezen! Soms denk ik: Hogie toch, wees wat mild en geef gewoon die les. Maar het gaat me niet, ik voel me er niet oké bij en het wringt echt langs alle kanten. Omdat ik door mijn ervaring (ahum, ahum) weet waar het vast zal lopen, welke oefeningen ze niet zullen begrijpen en waar er nog uitdagingen liggen. Ik denk altijd dat ik nog een groentje ben, maar eigenlijk mag ik vertrouwen op mijn kennis (al wil ik dit zeker zonder pretentie zeggen!). Daarom stel ik mijn werkbundels voor wiskunde zelf samen en worden die keer op keer bijgestuurd en aangepast. In de toekomst is het trouwens de bedoeling dat ik jullie hier zeker nog voorbeelden van ga laten zien. Hou Gietjes Corner dus zeker in de gaten of blijf mijn Facebookpagina volgen. We zijn intussen al bijna met 2000 waarvoor dank!

De basis van dit alles zijn de doelen die we moeten bereiken. Als je zelf materiaal wil maken, dan is er snel de angst dat je niet meer conform met die doelen werkt. Een handleiding volgen, dekt de lading (zeggen de uitgevers toch) en dat is dus de gemakkelijkste (en ook minst tijdrovende) weg. Maar ik zei het eerder al, ik voel me er niet goed bij. Vroeger werkte ik vanuit de oude leerplannen en goot die in een aankruis- of oplijstdocument. Dit had ik voor het ZILL-leerplan nog niet en dat miste ik. Waar werk ik aan, waar moet ik aan werken en waar liggen mijn hiaten? Tegelijkertijd ben ik ook met een ruim jaarplan bezig. Welke onderwerpen moet ik zien, welke wil ik zien en waar zie ik ontwikkelkansen? Al die dingen hangen aan elkaar. Een jaarplan is maar af wanneer alles van je doelen aan bod komt, maar je moet dus eerst weten wat er allemaal nodig is vanuit het leerplan om een goed jaarplan te maken. 

Je haalt je natuurlijk heel wat werk op de hals als je op die manier aan de slag gaat. Ik begrijp dat veel mensen daar gewoon de tijd niet voor hebben. Daarom wil ik jullie een duwtje in de rug geven of helpen waar nodig. Ik heb voor rekenen nu zo'n aanstiplijst gemaakt. Schrik niet van de omvang want uiteraard zijn er wel een groot aantal doelen. Al filterde ik wel een beetje. Alleen deze die toepasbaar zijn voor mijn kinderen, staan in de lijst. Niet enkel voor mijn leeftijd, maar ook waar ik op terugval voor de kinderen die nog wat extra herhaling nodig hebben en ook evenzeer voor de leerlingen die toe zijn aan wat meer uitdaging. Daarom wil ik de lijst ook met drie kleuren invullen (basis, extra zorg en uitbreiding). Doelen die exact hetzelfde zijn bij verschillende leeftijdscategorieën zette ik er maar één keer in, doelen die in mijn jaren ervaring nog nooit aan de orde waren (voor bijvoorbeeld 10-12 jaar) liet ik gewoon weg.

Het is de bedoeling om alle lessen op mijn overzicht te noteren. Zo zie ik waar ik zeker voldoende aan werk en wat nog wat meer aan bod mag komen. Ook de momenten waarop we eigenlijk niet met een rekenles bezig zijn, maar wel rond een wiskundedoel wordt gewerkt, komen hierin. Eens er dan iemand vraagt hoe ik alles bewaak, dan kan ik dat document gewoon bovenhalen. Het is vooral een werkdocument. Er zal op gekrast, geschrapt (en wellicht ook gevloekt) worden, maar je kunt niet meer met je vak bezig zijn dan op deze manier denk ik dan. Benieuwd naar het document? Het ziet er zo uit...


De theorie uit het leerplan staat er ook in verwerkt, maar ik heb de belangrijkste zaken onderstreept. Voor de mensen die niet zo graag lezen, dan heb je de kern toch mee. Per doel heb je zes vakken waar je lessen in kan gaan noteren. Vind je dat te veel, dan kun je uiteraard nog een rijtje vakjes deleten.

Het document is aanpasbaar voor elke leeftijd en elke klas en staat vanaf nu gratis online. Eén klik en het is van jou :).


Moesten er problemen zijn met het downloaden of de drive, stuur me dan een mailtje (gietjescorner@hotmail.com). Dan krijg je meteen een Word-versie doorgestuurd!

woensdag 11 mei 2016

Aanstiplijst voor doelen schrift eerste graad

Het wordt misschien wat eentonig, maar ik moet echt wil dingen gaan afmaken in plaats van steeds opnieuw met iets anders te beginnen. Daarom doe ik gewoon voort aan mijn lessen schrijven en maakte ik nu een aanstiplijst voor de doelen schrift van het eerste en tweede leerjaar.

Alle doelen zette ik op een rij en ik maakte hokjes voor 64 lessen. Dit is niet helemaal duidelijk op de afbeeldingen hierboven, maar op elk blad staan dus 10 lessen. Op die manier kan ik telkens aanduiden aan welk doel/welke doelen ik wil werken en kan ik makkelijk het overzicht bewaren. Het is immers de bedoeling dat alle doelen aan bod komen en dit op een gelijkwaardige manier. Ik wil die doelen trouwens ook door de kinderen laten evalueren, maar daar vertel ik binnenkort veel meer over!

Wil je nu al aan de slag met deze lijst? Dan kan dat. Klik op onderstaande link en download GRATIS!

maandag 16 november 2015

Leerplandoelen wero doorgelicht!

Vorige zaterdag, dinsdag en vrijdag had ik het hier al over de leerplandoelen van wero en vandaag rond ik deze fase nu helemaal af. Ik zet nog eens alles samen zodat jullie alles makkelijk kunnen terugvinden.
Eerst  maakte ik een overzicht van alle doelen die in de eerste graad beheerst moeten worden en deze vind je hier.
Daarnaast zijn er ook doelen waar je een aanzet moet geven en die vind je hier. Het is de bedoeling dat de kinderen uit het eerste en tweede leerjaar al eens kennismaken met deze doelen.
De derde code verduidelijkt de doelen waar kinderen kennis, vaardigheden en attitudes opbouwen en die kun je hier downloaden.

Dan is er eigenlijk nog een vierde code in het leerplan, maar die vind je nergens terug in de kolom van de eerste graad van het lager. Enkel bij 3-4 en 5-6 komt de gearceerde strook voor. Ga dus niet op zoek naar een vierde document, dat is er niet voor de eerste graad.

Daarnaast wil ik de mensen van andere leerjaren nog iets anders cadeau doen. Ik heb geen overzichten van die doelen (omdat ik die zelf niet nodig heb), maar ik heb wel ooit eens alle doelen wereldoriëntatie in een Worddocument gezet. Aan de hand van deze bladzijden kunnen jullie zelf heel makkelijk aan de slag. Je hoeft alleen enkele doelen te selecteren of te wissen en dan krijg je vanzelf een mooie oplijsting. Neem van mij aan dat het tikwerk het meeste tijd in beslag nam ;).

Wil je zelf ook aan de slag voor jouw leerjaar? Kijk dan snel even hier. Je kunt het document alweer gratis downloaden!

Moest er iemand zijn die de lijsten heeft gemaakt en die graag wil delen? Dan kan dat altijd via deze weg. Laat een reactie hieronder achter (of op gietjescorner@hotmail.com) en dan post ik jouw lijsten (voor de tweede of derde graad) hier ook. Uiteraard met bronvermelding ;).

Nog een heel fijne werkweek gewenst!


Bron:
* http://www.vvkbao.be/content/wereldorientatie-leerplan

vrijdag 13 november 2015

Doelen wero - aflevering 3

In het leerplan wero staan er vier codes. Zo is er een stippellijn, een volle lijn, een dubbele lijn en een gearceerde strook. Zaterdag gaf ik de doelen met een volle lijn al, dinsdag deelde ik de stippellijnen. Vandaag is code drie aan de beurt en dat is de dubbele lijn. Deze betekent dat de doelen kennis, vaardigheden en attitudes laten opbouwen. Ze moeten dus zeker geregeld aan bod komen tijdens je lessen. Uiteraard hoeft dit niet uitsluitend in je lessen wero te zijn, maar daarover later meer.

Wie geen zin heeft om de volledige post te doorzoeken, kan aan de slag in een nieuw Worddocument dat je hier vindt.


OVERKOEPELENDE DOELSTELLINGEN

Basisattitudes

0.1 Kinderen willen meer te weten komen over de wereld in al z’n dimensies, hier en elders, vroeger en nu.
Dat houdt in dat ze:
-          plezier beleven aan activiteiten waardoor ze de wereld verkennen,
-          bij de verkenning van de wereld in al zijn dimensies (natuur, techniek, tijd, ruimte … ) hun attitude om waar te nemen, te exploreren, te experimenteren steeds verder verfijnen.
-          …

0.2 Kinderen uiten hun verwondering over het (on)(be)grijpbare, het goede, het mooie, het mysterieuze, het verrassende, … in de wereld
Dat houdt in dat ze:
-          opmerkzaam zijn voor het verrassende, het ongewone in hun omgeving.
-          zich steeds opnieuw weer verbazen over het menselijk vernuft, de durf, de fantasie, de originaliteit, de creativiteit, de inspiratie, het voorstellingsvermogen zoals die overal tot uiting komen of kwamen,
-          …

0.3   Kinderen beleven en ervaren een intense verbondenheid met de wereld.
Dat houdt in dat ze:
-          aandacht en waardering tonen voor andere kinderen en volwassenen in hun omgeving.
-          ruimte maken/krijgen om samen te zingen, samen te vieren, samen te eten,…
-          zich betrokken voelen bij en genieten van feesten en rituelen in de ruimere samenleving,
-          stil staan bij grote momenten van het leven (zoals geboorte en dood), bij de seizoenen, bij natuurverschijnselen,…
-          zorg dragen voor wat anderen gerealiseerd hebben, voor voorwerpen en materialen,
-          …

0.4   Kinderen leven waardegericht.
Dat houdt in dat ze:
-          hun waarnemingen, ervaringen en handelingen toetsen aan waarden als genegenheid, goedheid, rechtvaardigheid, solidariteit, dankbaarheid, tolerantie, waarheid, ecologische duurzaamheid, respect, eerlijkheid, geweldloosheid,…
-          hun verontwaardiging uiten telkens ze worden geconfronteerd met een inbreuk op één of meer van die waarden,
-          …

0.5   Kinderen werken samen.
Dat houdt in dat ze:
-          niemand uitsluiten,
-          anderen helpen,
-          afspraken binnen de groep naleven
-          overleggen over groepsoverdrachten,
-          terugblikken op de manier waarop ze hebben samengewerkt,
-          ervaren en uiten dat in een groep(ering) taken worden verdeeld,
-          regels en een taakverdeling afspreken bij een spel of opdracht,
-          …

0.6 Kinderen drukken zich zo verstaanbaar mogelijk uit en benoemen waar mogelijk de dingen correct.
Dat houdt in dat ze:
-          over woorden en termen beschikken voor
·         het benoemen van lichaamsdelen, dieren, planten, gevoelens, waarden, instrumenten, technische vaardigheden en systemen, historische overblijfselen, dingen uit andere culturen, lichaamstaal,…
·         het aanduiden van plaats en richting,…
·         het uiten van waardering,…
-          …

0.7 Kinderen kunnen en durven problemen aanpakken.
Dat houdt in dat ze:
-          een probleem herkennen,
-          zich een voorstelling vormen van het probleem,
-          een probleem analyseren,
-          een strategie bedenken en daarbij verstandige zoekprocedures hanteren zoals een probleem opsplitsen in deelproblemen, een probleem herleiden tot een soortgelijk probleem, een probleem voor zichzelf representeren, een voorstelling maken en uitproberen,…
-          hun plan uitvoeren,
-          de gevonden oplossing evalueren.

0.8   Kinderen ontwikkelen tot autonome leerders.
Dat houdt in dat ze:
-          zelf initiatief nemen,
-          planmatig te werk gaan,
-          zo nodig hun oorspronkelijke planning herzien,
-          in alle leeractiviteiten zoveel mogelijk nadenken over hun eigen leerproces (Waarom doe ik dit? Waarom doe ik dit zo? Weet ik nu wat ik wil weten? Waarom loopt het fout? Hoe kan ik dat in het vervolg vermijden?...),
-          bij alles wat ze leren, zoveel mogelijk het verband leggen met al aanwezige kennis en vaardigheden,
-          creatief zijn,
-          …

Basisvaardigheden
0.10 Kinderen kunnen vragen stellen waarvan de antwoorden onderzoekbaar of opzoekbaar zijn.
Dat zijn de volgende vragen:
-          Wie, waarover,… ?
-          Wat is dat, wat doet het, wat gebeurt er…?
-          Wat gebeurt er als… ?
-          Welke verschillen, gelijkenissen…?
-          Hoeveel, hoe zwaar, hoe groot…?
-          Wanneer…? Waar? Waarmee?
-          Hoe komt het dat…?
-          Waarvan komt…?
-          Hoeveel meer, zwaarder…?
-          Hoe werkt het?
-          Hoe zit het in elkaar?

0.11 Kinderen kunnen kwalitatief en kwantitatief vergelijken.
Dat houdt in dat ze:
-          voorwerpen met afbeeldingen in boeken kunnen vergelijken,
-          gelijkenissen en verschillen kunnen vaststellen van objecten of producten op gebied van
·         lleur, smaak, geluid, geur, vorm, aanvoelen,…

0.13 Kinderen kunnen informatiebronnen op een doeltreffende manier hanteren.
Dat houdt in dat ze:
-          bij het zoeken naar informatie doeltreffend gebruiken kunnen maken van:
·         de eigen voorkennis,
·         de kennis van andere kinderen, volwassenen
·         het te onderzoeken object of fenomeen zelf,
·         kranten, tijdschriften, boeken, naslagwerken, kaarten, grafieken, audiovisuele programma’s, (geautomatiseerde) gegevensbestanden,

0.14 Kinderen kunnen informatie ordenen, rubriceren, classificeren.
Dat houdt in dat ze:
-          kunnen ordenen
·         naar een zelfgevonden criterium
-          kunnen ordenen naar kleur, smaak, vorm, geur,…
-          kunnen ordenen naar belangrijkheid, naar (deel)onderwerp, naar ruimte, naar volgorde in de tijd,…
-          kunnen groeperen volgens gemeenschappelijke kenmerken of eigenschappen,
-          informatiebronnen op de juiste plaats kunnen terugzetten,
-          gegevens alfabetisch, numeriek, op trefwoord, kwalitatief,… kunnen rangschikken,

0.15 Kinderen kunnen verslag uitbrengen over hun bevindingen.
Dat houdt in dat ze:
-          waarnemingen tijdens een leerwandeling, een demonstratie, een onderzoek,… kunnen noteren en weergeven
·         met woorden, in tekeningen,


MENS EN LEVENSONDERHOUD
Dingen maken/diensten aanbieden
1.1 Kinderen zien in dat mensen moeten zorgen voor hun dagelijks bestaan.
Dat houdt in dat ze:
-          ervaren, vaststellen en uiten dat zeer veel menselijke activiteiten gericht zijn op het vervullen van materiële en levensnoodzakelijke behoeften (voeding, bescherming, veiligheid, gezondheid,…)

1.2 Kinderen zien in dat mensen arbeid verrichten om in hun levensonderhoud te voorzien.
Dat houdt in dat ze:
-          kunnen illustreren dat:
·         in (bepaalde delen van) een samenleving mensen vaak zelf hun levensnoodzakelijke producten (voeding, kleding, bescherming, woning,…) produceren.
·         mensen goederen kunnen produceren en diensten kunnen verrichten op zeer verschillende plaatsen (thuis, op de boerderij, in de fabriek, in het ziekenhuis, op school, in de winkel, op kantoor, in de kazerne,…),
·         mensen allerlei vormen van arbeid verrichten die geen inkomen opleveren (bv. huishoudelijk werk, onderlinge hulp,…),

1.3 Kinderen beseffen dat samenwerking met anderen nodig is om een aantal arbeidstaken zo goed mogelijk te kunnen verrichten.
Dat houdt in dat ze:
-          ervaren dat een bepaalde arbeidstaak welbepaalde capaciteiten vereist,

1.5 Kinderen zien in dat mensen allerlei beroepen uitoefenen en tonen respect voor elk beroep.
Dat houdt in dat ze:
-          verschillende soorten beroepen uit hun omgeving kunnen herkennen en beschrijven,

Welvaart en welzijn
1.8   Kinderen beseffen dat welvaart ongelijk verdeeld is.
Dat houdt in dat ze:
-          vaststellen dat er in de wereld kinderen zijn die niet naar school kunnen, niet naar de dokter kunnen,…
-          zich in hun eigen omgeving solidair tonen met minderbedeelden,

1.9 Kinderen zijn er zich van bewust dat mensen op verschillende manieren welvaart of bezit verwerven en tonen alleen respect voor de ‘eerlijke’ manieren.
Dat houdt in dat ze:
-          ervaren, vaststellen en uiten dat er een verschil is tussen
·         geven, krijgen, nemen, pakken, ruilen, dobbelen, verkwisten,
·         lenen, kopen, verkopen

1.10 Kinderen beseffen dat er een onderscheid is tussen welzijn en welvaart.
Dat houdt in dat ze
-          ervaren,  vaststellen en uiten dat:
·         mensen nood hebben aan meer dan alleen maar materiële voorzieningen (genegenheid, achting, kennis, liefde,…),

Verhandelen en consumeren
1.11 Kinderen zien in dat de productie van goederen en diensten leidt tot ruilverkeer.
Dat houdt in dat ze:
-          ervaren dat je geld nodig hebt om iets te kopen,

1.12 Kinderen zijn er zich van bewust dat consumptie wordt beïnvloed.
Dat houdt in dat ze:
-          ervaren, vaststellen en uiten dat allerlei factoren consumptiegedrag beïnvloeden zoals lichamelijke behoeften, budget, andere mensen, belangengroepen, reclame, media,…

1.14 Kinderen beseffen dat niet voor alles betaald moet worden.
Dat houdt in dat ze:
-          ervaren, vaststellen, uiten dat mensen zich in veel situaties (gratis) ten dienste stellen van elkaar,
-          weten dat vrijwillige dienstbaarheid gebaseerd is op waarden als verantwoordelijkheid, solidariteit, vriendschap, trouw,…
-          ervaren en uiten dat gewoon iemand helpen (bv. in het gezin, in de klas) of vrijwillige dienstbaarheid vaak een goed gevoel oplevert,
-          …

Onderlinge afhankelijkheid
1.15 Kinderen ontdekken dat mensen en landen sterk afhankelijk zijn van elkaar voor hun levensonderhoud.
Dat houdt in dat ze:
-          ervaren, vaststellen en uiten dat zowel volwassenen als kinderen voor hun levensnoodzakelijke behoeften (voeding, bescherming, veiligheid, gezondheid,…) vaak afhankelijk zijn van andere mensen,


MENS EN ZINGEVING
Mensen geloven
2.1 Kinderen zien in dat elke mens gelooft.
Dat houdt in dat ze:
-          gevoelens van vriendschap, geborgenheid, genegenheid,… kunnen ervaren en herkennen

2.2 Kinderen zijn er zich van bewust dat veel mensen hun leven zin geven door hun geloof in een waardegeheel en/of in een persoonlijke God.
Dat houdt in dat ze:
-          uitingen van hun geloof kunnen herkennen en mee beleven,

2.3 Kinderen ontdekken hoe mensen omgaan met grote momenten in het leven.
Dat houdt in dat ze:
-          ervaren, vaststellen en uiten hoe mensen in hun leefomgeving omgaan met momenten van intens geluk zoals een geboorte, een geslaagde realisatie, een huwelijk, een topprestatie, een genezing,…
-          ervaren, vaststellen en uiten hoe mensen in hun leefomgeving omgaan met ziekte, ongeval, verminking, dood,…

Mensen zijn uniek
2.4   Kinderen kunnen illustreren dat mensen van elkaar verschillen op allerlei gebeid.
Dat houdt in dat ze:
-          ervaren, vaststellen en uiten dat mensen verschillen in uiterlijk, in gezondheid, in taal, in voelen, in waarderen, in handelen, in (na)denken over, in communiceren, in genegenheid betonen, in kennis verzamelen, in humoristisch zijn, in zin geven aan,…

2.5 Kinderen zien in dat elke mens ‘iemand’ is, ‘iets betekent’, en op de een of andere wijze blijft voortleven in de herinnering aan anderen.
Dat houdt in dat ze:
-          ervaren en uiten dat anderen de herinnering aan (overleden) personen levendig houden door gesprekken, afbeeldingen, koestering van hun materiële of geestelijke nalatenschap,…
-          ervaren, vaststellen en uiten dat de herinnering aan mensen levendig blijft door wat ze nalieten van objecten, realisaties, ideeën, uitspraken,…

2.6 Kinderen worden zich bewust van hun eigen levensverhaal en van de samenhang ervan met andere levensverhalen.
Dat houdt in dat ze:
-          in hun eigen leven en dat van anderen spannende of moeilijke episodes ervaren, vaststellen en uiten,

Mensen geven richting aan hun leven
2.8 Kinderen beseffen dat kennis belangrijk is voor mensen.
Dat houdt in dat ze:
-          ervaren dat kennis bezitten een zekere macht geeft over de eigen leefwereld (bv. kunnen (klok)lezen is weten wanneer er een favoriet tv-programma begint),
-          ervaren dat kennis, onzekerheid en angst (bv. angst voor donder en bliksem) doet verdwijnen, maar ook een zekere bezorgdheid kan wekken (bv. ozonlaag, zure regen),
-          ervaren dat je met kennis anderen kan helpen (bv. alfabetisme, EHBO).

2.10 Kinderen deken na over de eigen mogelijkheden en keuzes.
Dat houdt in dat ze:
-          antwoorden zoeken op vragen als: Wie ben ik? Wat wil ik? Wat kan ik? Hoe ga ik om met…? Waarom kies ik voor…? Hoe reageer ik op…? Hoe denk ik over…? …

2.11 Kinderen nemen een voorbeeld aan (de levenswijze van) inspirerende persoonlijkheden.
Dat houdt in dat ze:
-          zich identificeren met
·         mensen uit hun directe omgeving, zoals ouders, leerkrachten,…
·         mensen met een levenshouding die sterk evangelisch geïnspireerd is,…
·         mensen die een bijdrage lever(d)en aan een menselijker samenleving hier en elders,


MENS EN HET MUZISCHE
Open staan voor
3.1 Kinderen zijn gevoelig voor en genieten van de muzische expressie in hun omgeving.
Dat houdt in dat ze:
-          de schoonheid van de natuur (landschappen, wolkenformaties, geuren, mensen,…) opmerken en uiten,
-          de schoonheid van dingen die mensen maken (speelgoed, gebouwen, interieurs, muziek, schilderijen, toneel, dans, gebruiksvoorwerpen, audio-visuele producten,…) opmerken en dit uiten,
-          genieten van klank en rijm, van kunstwerken,…
-          genieten van de schoonheid van alledaagse dingen (zonsondergang, bloemen, mensen die lachen,…).

3.2 Kinderen zijn zich bewust van de gevoelens die schoonheidservaringen bij hen oproepen en durven die uiten.
Dat houdt in dat ze:
-          gevoelens van bewondering, verwondering, ontroering, trots, vreugde,… kunnen herkennen en laten blijken,

3.4 Kinderen zien in dat verschillende mensen verschillende schoonheidscriteria hanteren.
Dat houdt in dat ze:
-          ervaren, vaststellen en uiten dat mensen uit andere groepen of culturen, vaak andere schoonheidscriteria hanteren en dat ze deze respecteren,



Expressie
3.5 Kinderen combineren woord, beweging, beeld, drama, muziek, … om de ervaringen rond een thema of project naar anderen te communiceren.
Dat houdt in dat ze:
-          bij de voorstelling van een thema of project gebruik maken van een origineel projectboek, een zelf bedacht themalied, een rollenspel, een dans, een fotocollage, een mimespel, een verhaal, een gedicht,…

Kijk op kunst
3.8 Kinderen ontwikkelen tot vaardige kunstbeschouwers.
Dat houdt in dat ze:
-          spontaan plezier beleven aan kunstwerken,
-          geboeid worden door kunstwerken en deze associëren met wat ze dagelijks meemaken (meemaakten),
-          oog hebben voor technieken en materialen die gebruikt worden in kunstwerken zoals muziekstukken, toneelvoorstellingen, tentoonstellingen, films, kinderboeken, schilderijen, gedichten,…

3.9   Kinderen ontdekken dat het creëren van kunst zowel inspiratie als inspanning vraagt.
Dat houdt in dat ze:
-          bij een bezoek aan een atelier, een academie, een tentoonstelling, een bibliotheek, een (poppen)theater, een (heemkundig) museum, een monument,… vaststellen hoe verschillend kunst wordt (werd) gecreëerd,
-          ervaren, vaststellen en uiten hoe verschillende kunstenaars werk(t)en, wat er allemaal bij komt (kwam) kijken en hoe kunstwerken ontstaan

3.10 Kinderen zien in dat mensen en gemeenschappen veel waarde hechten aan kunst.
Dat houdt in dat ze:
-          ervaren, vaststellen en uiten dat mensen aan alledaagse voorwerpen en bezigheden vaak een esthetische toets geven,


MENS EN MEDEMENS
Ik ken mezelf
4.1 Kinderen ontwikkelen een gedifferentieerd beeld van zichzelf.
Dat houdt in dat ze:
-          kunnen vertellen wie ze zijn: naam, geslacht, kind van,…
-          ervaren,  vaststellen en uiten welke mogelijkheden en beperkingen (motorisch, technisch, lichamelijk, cognitief,…) zijzelf hebben,

4.2 Kinderen ontwikkelen vertrouwen in eigen mogelijkheden.
Dat houdt in dat ze:
-          ervaren en uiten dat hun mogelijkheden ontwikkelen,
-          ervaren, vaststellen en uiten dat de ontwikkeling van hun eigen mogelijkheden ervoor zorgt dat ze voortdurend minder afhankelijk worden van anderen,
-          geloven in wat ze al kunnen,
-          doorzetten als ze taken uitvoeren,
-          voor eigen beperkingen een constructieve oplossing kunnen bedenken en hanteren,

4.3 Kinderen ontwikkelen een genuanceerde kijk op hun eigen gevoelens en gaan er op een adequate wijze mee om.
Dat houdt in dat ze:
-          gevoelens vrijuit tonen tegenover een vertrouwde volwassene,
-          gevoelens van angst, blijheid, boosheid, verdriet, vriendschap,… bij zichzelf kunnen onderkennen en trachten om zich in te zetten voor anderen begrijpbaar en aanvaardbaar gedrag,
-          hun gevoelens correct kunnen benoemen en uiten met behulp van hun lichaam, expressiematerialen,…
-          de nieuwe maar soms verwarrende ervaring van tegenstrijdige gevoelens kunnen herkennen en erkennen,

4.4 Kinderen leven bewust met en genieten van hun lichaam
Dat houdt in dat ze:
-          ervaren en uiten dat lichamelijke gewaarwordingen prettige en onprettige gevoelens verschaffen,
-          ervaren, vaststellen en uiten dat mensen hun gevoelens voor elkaar vaak uitdrukken in lichaamstaal,
-          ervaren, vaststellen en uiten dat er inzake lichaamsbeleving vaak andere normen gelden in andere gezinnen, groepen of milieus,
-          …

Ik ga om met anderen
4.5 Kinderen kunnen zich verplaatsen in de gedachten, gevoelens en waarnemingen van anderen en houden daar rekening mee.
Dat houdt in dat ze:
-          bij anderen gevoelens zoals angst, blijheid, boosheid, verdriet, vriendschap,… herkennen en trachten mee te leven in dit gevoel,
-          weten dat mensen eenzelfde situatie op een verschillende wijze kunnen ervaren en er verschillend op kunnen reageren,
-          zich kunnen voorstellen wat een ander denkt, voelt, wil of bedoelt,
-          in hun gedrag rekening kunnen houden met de gevoelens of de wensen van anderen,
-          in concrete situaties verschillende manieren van omgaan met elkaar kunnen herkennen en erover praten,

4.6 Kinderen kunnen zich als persoon present stellen.
Dat houdt in dat ze:
-          zich kunnen voorstellen aan een leeftijdsgenoot of bekende volwassene met hun naam en de gemeente waarin ze wonen,
-          een gesprek kunnen beginnen en/of voortzetten met een leeftijdgenoot of bekende volwassene,
-          een eigen mening, waarneming, herinnering,… kunnen verwoorden tegenover leeftijdgenoten of bekende volwassenen,
-          …

4.7 Kinderen kunnen respect en waardering opbrengen.
Dat houdt in dat ze:
-          vormen van afwijzend of waarderend gedrag kunnen herkennen en er trachten op in te spelen,
-          hun waardering uiten,
-          in hun omgang met leeftijdgenoten onbevangen en respectvol omgaan met verschillen,
-          ervaren en vaststellen dat de andere een levenswijze kan hebben die verschilt van de hunne en daar op een discrete wijze rekening mee houden,

4.8 Kinderen gaan op een adequate wijze om met de menselijke behoefte aan lichamelijk contact.
Dat houdt in dat ze:
-          ervaren en uiten wat ze in lichamelijk contact met anderen prettig of minder prettig vinden,
-          respect tonen voor het lichaam van anderen,

4.9 Kinderen kunnen leiding volgen of meewerken.
Dat houdt in dat ze:
-          het leiderschap van een ander kind kunnen aanvaarden,
-          kunnen tonen dat ze instemmen,
-          regels en afspraken kunnen nakomen,

4.10 Kinderen kunnen leiding geven.
Dat houdt in dat ze:
-          een voorstel naar voren kunnen brengen,
-          in een taakgroepje of spel kunnen zeggen wat anderen moeten doen,
-          bij een activiteit of een spel in een kleine groep controleren of de anderen zich aan de regels houden,

4.11 Kinderen kunnen een ander helpen door zich dienstbaar op te stellen.
Dat houdt in dat ze:
-          anderen helpen bij het opruimen,
-          bereid zijn eigen materiaal uit te lenen en/of te delen.

4.12 Kinderen kunnen hulp vragen en zorg aanvaarden.
Dat houdt in dat ze:
-          op een beleefde manier iets kunnen vragen,
-          dankbaarheid tonen tegenover ieder die hen helpt,
-          zich laten helpen als ze iets niet kunnen,
-          durven opkomen voor eigen verlangens,

4.13 Kinderen kunnen constructief kritisch zijn.
Dat houdt in dat ze:
-          onder woorden kunnen brengen wat ze in de eigen omgeving verkeerd vinden, zodat er kan over gesproken worden,
-          op een tactvolle wijze een leeftijdgenoot kunnen confronteren met het effect van zijn gedrag

4.14 Kinderen kunnen zich op een passende manier weerbaar opstellen.
Dat houdt in dat ze:
-          voor zichzelf en leeftijdgenoten kunnen opkomen door (non)verbale signalen te geven die voor anderen begrijpelijk en aanvaardbaar zijn,
-          een onderscheid kunnen maken tussen een geweldloze en een gewelddadige oplossing voor een conflict

4.15 Kinderen kunnen zich discreet opstellen als derden daar niet door benadeeld worden.
Dat houdt in dat ze:
-          Iets wat ze over anderen weten voor zichzelf kunnen houden




MENS EN SAMENLEVING
Groepen
5.1 Kinderen zijn er zich van bewust dat mensen bij één of meer groepen behoren.
Dat houdt in dat ze:
-          ervaren en verwoorden dat ze zelf deel uitmaken van een aantal groepen:
·         gezin, familie, onthaalgezin, klasgroep,…
-          ervaren en verwoorden dat mensen binnen een groep vaak een samenhorigheidsgevoel ontwikkelen,
-          verschillende gezinsvormen kunnen herkennen,

5.2 Kinderen zien in dat elke groep eigen doelen nastreeft, wat tot conflicten kan leiden.
Dat houdt in dat ze:
-          ervaren dat er verschillen mogelijk zijn tussen de belangen van groepen kinderen die een bepaalde activiteit willen uitvoeren op dezelfde speelplek

5.3 Kinderen zien in dat vele groepen en volkeren eigen symbolen of kentekens hanteren.
Dat houdt in dat ze:
-          vaststellen en uiten dat groepen waar zij zelf deel van uitmaken eigen symbolen of kentekens hanteren (bv. uniform en vlag van de jeugdbeweging of sportclub, logo van de school,…),

5.5 Kinderen ontdekken dat groepen van mensen in een land van een ander cultuurgebied op een andere manier samenleven.
Dat houdt in dat ze:
-          beseffen dat sommige mensen een andere levenswijze hebben dan zijzelf, als ze geconfronteerd worden met beelden, informatie of mensen uit een andere cultuur,

Regels
5.6 Kinderen zien in dat samenleven het naleven van allerhande omgangsvormen, leefregels en afspraken veronderstelt en kunnen zich daaraan houden.
Dat houdt in dat ze:
-          ervaren en met voorbeelden kunnen illustreren dat er binnen een groep meestal regels zijn waaraan ieder lid zich moet houden,
-          het belang ervaren van het naleven van allerhande omgangsvormen, leefregels en afspraken binnen een groep,
-          ervaren dat wie een regel overtreedt zich buiten de groep plaatst wat kan leiden tot een vorm van sanctionering,
-          ervaren en vaststellen dat in verschillende groepen soms dezelfde, maar vaak ook verschillende afspraken van toepassing zijn,

5.9 Kinderen beseffen dat ze door verkeersregels strikt tot te passen zichzelf en anderen beschermen en ze handelen daarnaar.
Dat houdt in dat ze:
-          weten wat ze moeten doen als ze meerijden met de fiets, de auto, de bus,… en daarnaar handelen,
-          onder begeleiding elementaire verkeersregels toepassen,
-          gebruik maken van de voorzieningen op de openbare weg om zich als voetganger of fietser te verplaatsen,
-          er rekening mee houden dat voertuigen en personen een eigen plaats hebben in het verkeer,



Instellingen
5.10 Kinderen zien in dat er binnen onze samenleving instellingen zijn die de kwaliteit van het samenleven trachten te bevorderen.
Dat houdt in dat ze:
-          ervaren dat ouders, leerkrachten, leid(st)ers,… waken over de naleving van afspraken, omgangsvormen, leefregels,

Macht en gezag
5.11 Kinderen zien in dat (groepen van) mensen en instellingen vaak macht en/of gezag uitoefenen.
Dat houdt in dat ze:
-          ervaren en uiten dat in een groep(ering) taken worden verdeeld,

5.16 Kinderen zetten zich mee in om in hun leefwereld vormen van machtsmisbruik te voorkomen.
Dat houdt in dat ze:
-          klas- en leeftijdgenoten een evenwaardig deel van de beschikbare ruimte geven,
-          in hun leefwereld vormen van discriminerend spreken en gedrag vermijden.


MENS EN TECHNIEK
Materialen
6.1 Kinderen zien in dat courante producten gemaakt zijn uit welbepaalde materialen en/of grondstoffen.
Dat houdt in dat ze:
-          van voorwerpen uit hun omgeving kunnen aangeven dat ze gemaakt zijn van ijzer, steen, hout, glas, papier, textiel, plastiek,…
-          ervaren en uiten op welke wijze een aantal grondstoffen worden verwerkt tot materialen en/of producten (bv. meel tot brood, klei tot bakstenen).

Energie
6.2 Kinderen kennen verschillende energiebronnen.
Dat houdt in dat ze:
-          vaststellen en uiten dat spierkracht, wind, water, zon,… bronnen zijn van energie die in overvloed aanwezig zijn,

6.3 Kinderen zien in dat energie noodzakelijk is om producten te vervaardigen en technische handelingen te verrichten.
Dat houdt in dat ze:
-          ervaren en uiten dat energie nodig is om materialen en grondstoffen te vervormen, te veranderen, te bewegen, te verbinden en om producten en systemen te laten functioneren,
-          vaststellen en uiten welke energie(bron) wordt gebruikt bij het maken van producten, bij het vervoeren van goederen, bij het aanbrengen van verbindingen, bij het laten functioneren van systemen, bij het communiceren.

Instrumenten
6.4 Kinderen zien in dat veel voorwerpen in hun omgeving een aanvulling of verbetering zijn van menselijke functies en maken er functioneel gebruik van.
Dat houdt in dat ze:
-          ervaren en uiten dat zien, horen, dragen, optillen, meten,… kan worden verbeterd of aangevuld door middel van een instrument,
-          gebruik kunnen maken van instrumenten zoals een loep, een liniaal, een weegschaal, een maatglas, een hefboom, een katrol, tandwielen, scharnieren, een fiets, … om de eigen functies te verbeteren en/of aan te vullen,

6.5 Kinderen zien in dat instrumenten evolueren en dat ze bij het eigen lichaam ontstaan zijn.
Dat houdt in dat ze:
-          ervaren en kunnen illustreren dat technische vaardigheden van het lichaam aan de basis liggen van nu gekende instrumenten (bv. een vuist als hamer, de handpalm als een drinkbeker),
-          kunnen uiten hoe de mens zijn lichaam als instrument verbeterde door (gevonden) voorwerpen uit zijn omgeving te gebruiken (bv. een steen in de vuist, een schelp om te drinken),
-          in de evolutie een vervolgrelatie zien van gevonden naar uitgevonden of gemaakt, van eenvoudig naar complex, van traag naar snel, van ruw tot precies afgewerkt,…

Producten
6.6 Kinderen zien in dat producten worden gemaakt volgens bepaalde technische principes.
Dat houdt in dat ze:
-          bij eenvoudige voorwerpen uit hun omgeving de meest courante verbindingen en hechtingswijzen kunnen herkennen,
-          kunnen aantonen dat een product uit verschillende onderdelen of ingrediënten bestaat of kan bestaan,
-          kunnen aantonen wat de functie is van een onderdeel van een product,
-          ontdekken hoe veel voorkomende verbindingen, hechtingen en bereidingen worden gemaakt,
-          ontdekken dat de aard en de kwaliteit van verbindingen en hechtingen in een constructie de stevigheid en de bruikbaarheid ervan bepalen,
-          ontdekken dat ze voor het maken van een bruikbare bereiding dienen te beschikken over de juiste (hoeveelheid) ingrediënten.

Technisch denkproces
6.12 Kinderen kunnen hun materialenkennis en hun kennis van constructie-, bereidings- en bewegingsprincipes gebruiken bij het ontwerpen van een constructie of bereiding.
Dat houdt in dat ze:
-          ideeën genereren voor een ontwerp van een technische realisatie

6.13 Kinderen kunnen een constructieactiviteit of een bereiding correct uitvoeren.
Dat houdt in dat ze:
-          een eenvoudig visueel voorgesteld plan zelfstandig uitvoeren,
-          zich bereid tonen om veilig om te gaan met materialen en gereedschap van de klas,

6.14 Kinderen kunnen gebruik maken van hun kennis over en vaardigheid in techniek om een bereiding te maken en een constructie uit elkaar te halen of in elkaar te zetten.
Dat houdt in dat ze:
-          geschikt materiaal, geschikte hechtingswijzen en geschikt gereedschap kiezen,
-          kunnen plooien, bevestigen, verdelen, samenvoegen, snijden, kneden, schillen, roeren, schudden,… en afwerken,
-          een eigen strategie kunnen ontwikkelen om dingen uit elkaar te halen en weer te assembleren,
-          zich bereid tonen nauwkeurig, veilig en hygiënisch te werken.

6.15 Kinderen kijken kritisch naar een zelfgemaakt product of bereiding.
Dat houdt in dat ze:
-          controleren of een zelfgemaakt product voldoet aan de zelf vooropgestelde eisen,
-          verbeteringen kunnen aanbrengen aan een product na evaluatie,

6.18 Kinderen kunnen met techniek omgaan in verschillende toepassingsgebieden.
Dat houdt in dat ze:
-          technische realisaties uit verschillende toepassingsgebieden van techniek kunnen gebruiken.
-          technische realisaties uit verschillende toepassingsgebieden van techniek kunnen
·         construeren.
·         onderzoeken om na te gaan hoe het komt dat ze niet of slecht functioneren,
-          bij technische realisaties uit verschillende toepassingsgebieden van techniek kunnen aangeven dat ze nuttig, gevaarlijk en/of schadelijk kunnen zijn:
·         voor henzelf,


MENS EN NATUUR
Natuurbeleving
7.1 Kinderen genieten van hun aanwezigheid in de natuur en van de wisseling der seizoenen en uiten dat op diverse manieren.

7.2 Kinderen beleven en ervaren dat de natuur voor hen veel betekenissen heeft.
Dat houdt in dat ze:
-          de natuur ervaren als speelruimte,
-          de natuur ervaren als leverancier van eetwaren, geneesmiddelen (bv. het blad van hondsdraf tegen brandnetelpijn) of spullen (bv. hutten bouwen),

Het leven op aarde
Eenheid en verscheidenheid
7.4 Kinderen zien in dat mensen, dieren en planten een grote verscheidenheid in kenmerken vertonen.
Dat houdt in dat ze:
-          ervaren, vaststellen en uiten dat jongens en meisjes lichamelijk verschillen,
-          kunnen ervaren en uiten hoe mensen, dieren en planten onderling verschillen in uiterlijk en gedrag,
-          organismen uit hun omgeving op een eenvoudige wijze kunnen ordenen vanuit de verscheidenheid van kenmerken:
·         paddenstoelen, bomen, vissen, dieren,…

7.5 Kinderen ontdekken dat er tussen mensen onderling, dieren onderling en planten onderling veel gelijkenissen bestaan.
Dat houdt in dat ze:
-          kunnen vaststellen en verwoorden dat mensen en dieren onderling veel overeenkomsten hebben in lichaamsbouw,
-          ervaren en verwoorden dat er tussen planten veel gelijkenissen bestaan inzake opbouw,
-          basisbegrippen om de uitwendige bouw van de mens te beschrijven correct kunnen hanteren: hoofd, arm, kuit, dij,…

Instandhouding van het individu en de soort
7.6 Kinderen zien in dat mensen, dieren of planten op een eigen manier trachten in leven te blijven.
Dat houdt in dat ze:
-          ervaren en vaststellen dat een aantal functies, (voeding, ademhaling,….) noodzakelijk zijn voor het in leven blijven van een mens, dier of plant,

7.7 Kinderen zien in at mensen, dieren, planten aangepast zijn aan een leefwijze in een bepaald milieu.
Dat houdt in dat ze:
-          ervaren en beseffen dat milieufactoren (vochtigheid, voedsel, bodemeigenschappen, lichtintensiteit, lucht en temperatuur) een invloed hebben op mensen, dieren en planten,

7.8 Kinderen ontdekken dat planten, dieren en mensen zich op een of andere manier voortplanten.
Dat houdt in dat ze:
-          beseffen dat een levend wezen steeds voortkomt uit een ander levend wezen van dezelfde soort,
-          vaststellen dat een kind gedurende een periode groeit in de moeder voor het wordt geboren,
-          vaststellen dat een dier gedurende een periode groeit in een moederdier of ontwikkelt in een ei voor het wordt geboren,
-          weten dat geboren worden betekent: het verlaten van het moederlichaam of het ei,
-          weten dat het verwekken van kinderen meestal de uitdrukking is van een liefdesrelatie tussen twee partners,
-          verwondering en bewondering tonen voor elke vorm van nieuw leven.

7.9 Kinderen ontdekken en zien in dat elke mens, elk dier en elke plant een ontwikkeling doormaakt.
Dat houdt in dat ze:
-          vaststellen dat ze groeien,
-          beseffen dat een mens, een dier en een plant verschillende stadia doorloopt in wisselwerking met zijn omgeving,
-          kenmerkende gedragingen en uiterlijk, eigen aan een stadium in een ontwikkeling, herkennen,

Interacties tussen mens, dier en plant
7.11 Kinderen ontdekken en zien in dat mensen afhankelijk is van planten en dieren voor voeding, kleding, gezondheid, constructiematerialen,…

7.12 Kinderen kunnen illustreren dat er verschillende soorten relaties bestaan tussen mens, dier en plant.
Dat houdt in dat ze:
-          volgens relaties vaststellen en kunnen illustreren:
·         voedselrelaties,
·         bescherming (bv. schutkleur),

7.13 Kinderen maken een bewuste keuze voor het behoud van het leven in hun directe omgeving.
Dat houdt in dat ze:
-          de aanwezigheid van planten en dieren in hun omgeving waarderen,
-          destructief gedrag tegenover dieren of platen vermijden en afkeuren (bv. eieren of dikkopjes roven, dieren pijn doen, planten uitrukken in een bos),

Zorg om de eigen gezondheid
7.14 Kinderen zien in dat leefgewoonten de gezondheid kunnen bevorderen en handelen er naar.
Dat houdt in dat ze:
-          tonen goede gewoonten inzake dagelijkse hygiëne,

7.15 Kinderen trachten door hun gedrag gezondheidsrisico’s te vermijden.
Dat houdt in dat ze:
-          weten dat ze door de inname van sommige producten en planten ziek kunnen worden,
-          gedragingen of situaties die bevorderlijk of schadelijk zijn voor hun gezondheid herkennen,
-          anderen waarschuwen voor gedragingen of situaties met een grote kans op ongevallen, verwondingen of ziekten,

7.16 Kinderen kunnen elementaire hulp verlenen.
Dat houdt in dat ze:
-          hulp kunnen inroepen voor elke noodsituatie of ongeval,

De aarde als leefruimte
De aarde als bron
7.18 Kinderen gaan op hun niveau zorgzaam om met hun milieu.
Dat houdt in dat ze:
-          zelf spaarzaam omspringen met batterijen, verlichting, verwarming, water,… grondstoffen en afval

Natuurkundige aspecten
7.19 Kinderen kunnen, na experimenteren, enkele gangbare stoffen en materialen benoemen en ze groeperen volgens gemeenschappelijke kernmerken of eigenschappen.
Dat houdt in dat ze:
-          experimenteren met een aantal stoffen en materialen, ze onderscheiden en vaststellen wat met dat materiaal of die stof gebeurt,
-          vaststellen en illustreren dat de toestand waarin stoffen zich bevinden, kan veranderen (gasvormig, vloeibaar, vast),

7.21 Kinderen kunnen natuurkundige verschijnselen onderzoeken en hun zelf geformuleerde voorspellingen toetsen.
Dat houdt in dat ze:
-          eenvoudige als-dan relaties kunnen formuleren,
-          spontaan controles uitvoeren door herhaling,

De aardebol
7.24 Kinderen ervaren en zien in dat het weer kan verschillen naar plaats en tijd.
Dat houdt in dat ze:
-          verschillende weersomstandigheden – als ze zich voordoen – gericht kunnen waarnemen, vergelijken, benoemen en er een visuele voorstelling bij maken,

7.25 Kinderen zien in dat het weer de leefgewoonten van mensen beïnvloedt.
Dat houdt in dat ze:
-          verschillende weertypes kunnen onderscheiden zoals vorst, mist, ijzel, hittegolf, storm,…
-          voorbeelden kunnen geven van de invloed van het weer op de kledij, het verkeer, de dagindeling,…

De aarde in de kosmos
7.27 Kinderen beseffen dat de aarde een element is van de kosmos.
Dat houdt in dat ze:
-          hun bewondering en verwondering tonen voor het onmetelijke van de kosmos, de sterren, voor de verwezenlijkingen van de ruimtevaart,

MENS EN TIJD
Tijdbeleving
8.3   Kinderen kunnen de tijd die ze nodig hebben voor een voor hen bekende bezigheid, realistisch inschatten.
Dat houdt in dat ze kunnen voorspellen:
-          hoelang een spelactiviteit, een opruimactiviteit,… zal duren

8.4 Kinderen beleven bewust het ritmisch karakter van de tijd en kunnen dit illustreren.
Dat houdt in dat ze:
-          stilstaan bij en genieten van:
·         het dag-, week-, maand-, jaarpatroon,
·         de wisseling van de seizoenen,
·         de jaarlijkse feesten waaronder kerkelijke feesten, schoolfeesten, familiefeesten,
-          voorbeelden kunnen geven van het ritmisch karakter van natuurfenomenen van levenscycli van dieren en planten.

Dagelijkse tijd
8.5 Kinderen ervaren en uiten dat hun leven een opeenvolging van gebeurtenissen is.
Dat houdt in dat ze:
-          basisbegrippen en courante aanduidingen in verband met de dagelijkse tijd in hun juiste betekenis gebruiken. Begrippen als:
·         dag, nacht, vandaag,
·         morgen, gisteren,
·         deze week, de volgende week, de vorige week,
-          kunnen terugblikken op minstens twee voorbije activiteiten door deze in de juiste volgorde te rangschikken en te verwoorden,

8.7   Kinderen kunnen een planning maken in de tijd en er zich aan houden.
Dat houdt in dat ze:
-          minstens twee activiteiten na elkaar kunnen plannen (o.a. bij contractwerk),

In de tijd ordenen/meten
8.8 Kinderen zien in dat tijd op verschillende manieren gemeten kan worden en kunnen een aantal tijdmeetinstrumenten hanteren.
Dat houdt in dat ze:
-          ervaren dat volwassenen de tijd aflezen van een klok,…
-          een zandloper kunnen hanteren,

8.9   Kinderen kunnen vaardig omgaan met verschillende kalenders.
Dat houdt in dat ze:
-          verschillende soorten kalenders functioneel kunnen gebruiken:
·         verjaardagskalender,
·         weerkalender,

Evolutie

8.13 Kinderen zijn nieuwsgierig naar de historische ontwikkeling van planten, dieren, mensen, voorwerpen, systemen, actuele toestanden.
Dat houdt in dat ze:
-          overblijfselen van vroeger opsporen in hun omgeving.

Beginnend historisch besef
8.14 Kinderen beseffen dat er naast een heden, ook een verleden en een toekomst zijn.
Dat houdt in dat ze:
-          begrijpen dat ‘gisteren’ voorbij is en dat ‘morgen’ nog moet komen,


MENS EN RUIMTE
Ruimtebeleving
9.1 Kinderen ervaren en uiten dat elke (open) ruimte een indruk oproept of nalaat en dat verschillende factoren daarbij een rol spelen.
Dat houdt in dat ze:
-          ontdekken dat mensen een persoonlijke toets aan een ruimte willen geven door schikking, kleur,…
-          hun gevoelens en hun waardering over een ruimte uiten,
-          kunnen aangeven welke rol verschillende elementen zoals kleur, schikking, gebruikte materialen, aanwezigheid van planten, meubilair, gebouwen,… spelen bij hun indrukken over een ruimte,
-          kunnen verwoorden in welke ruimte(s) ze (niet) graag verblijven en waarom,

9.2 Kinderen kunnen illustreren en herkennen dat de beleving van eenzelfde (meet)ruimte subjectief is.
Dat houdt in dat ze:
-          ervaren dat de één zich in een zelfde ruimte opgesloten voelt en de andere niet,
-          ervaren dat een kort traject lang kan lijken of omgekeerd,

9.3 Kinderen houden rekening met de persoonlijke ruimte van een ander.
Dat houdt in dat ze:
-          ontdekken en ervaren dat iedere mens een zekere afstand tegenover anderen wil bewaren,
-          op aanvaardbare manier kunnen aangeven wanneer iemand hun persoonlijke ruimte verstoort,
-          respect opbrengen voor de persoonlijke ruimte van iemand anders,

Ruimtelijke inrichting
9.4 Kinderen dragen mee zorg voor de ruimten waarin ze verblijven.
Dat houdt in dat ze:
-          mee orde brengen in een beperkte ruimte, (bv. speelhoek, klas, speelplaats),
-          respect opbrengen voor de inspanningen die anderen hebben opgebracht om een ruimte in te richten,
-          zich respectvol gedragen in een ingerichte ruimte.

9.5 Kinderen kunnen een ruimte aangenaam en functioneel helpen inrichten.
Dat houdt in dat ze:
-          een ruimte kunnen helpen inrichten zodat deze houvast biedt en ze zich er goed bij voelen,
-          een ruimte kunnen helpen inrichten volgens de activiteit(en) die ze willen uitvoeren zoals spel, huiswerk, bezinning, knutselen,…

9.6 Kinderen kunnen een omgeving typeren als overwegend landelijk, stedelijk, toeristisch en/of industrieel.
Dat houdt in dat ze:
-          verschillen in landschappen en omgevingen, door mensen ingericht, kunnen verwoorden,
-          in eigen omgeving gebouwen, akkers, velden, bossen, diensten, winkels, fabrieken, bedrijven… kunnen herkennen,

9.7 Kinderen zien in dat mensen vaak ruimten afbakenen en/of grenzen trekken.
Dat houdt in dat ze:
-          ervaringen opdoen en verwoorden in verband met de afbakening van ruimten,
-          vaststellen dat mensen er behoefte aan hebben of genoodzaakt zijn ruimten af te bakenen,

Kaartvaardigheid
9.8 Kinderen kunnen zich vlot in de ruimte oriënteren.
Dat houdt in dat ze:
-          ervaren en uiten dat hun lichaam een binnen- en buitenkant, een boven- en onderkant, een voor- en achterzijde, een linker- en rechterzijde heeft en dat hun lichaam symmetrisch is opgebouwd,
-          de plaats van zichzelf en van voorwerpen alsook de richting waarin ze zelf of voorwerpen bewegen, verkennen en bepalen, en daarbij
·         links – rechts, veraf – dichtbij, vooruit – achteruit, naar opzij, naar links, naar rechts, omhoog, omlaag,

9.9 Kinderen kunnen gebruik maken van diverse voostellingen van de ruimte.
Dat houdt in dat ze:
-          een zelf geëxploreerde ruimte of een ruimte uit een verhaal in beelden kunnen omzetten, zoals:
·         die ruimte uitbeelden of beschrijven,
·         die ruimte driedimensionaal afbeelden,
·         die ruimte uitdrukken in een tekening,
-          afdrukken, sporen kunnen herkennen,
-          afdrukken en voorstellingen van vertrouwde plaatsen en voorwerpen kunnen terugvinden
·         op een maquette,
-          gebruik kunnen maken van
·         pictogrammen,

Mobiliteit
9.14 Kinderen ervaren dat alles en iedereen zich in een of andere ruimte bevindt of beweegt.
Dat houdt in dat ze:
-          ervaren dat elke beweging in de ruimte een richting heeft,
-          ervaren dat iedereen zich verplaatste met een bepaalde snelheid.

9.15 Kinderen zien in dat menselijk verkeer altijd risico’s inhoudt.
Dat houdt in dat ze:
-          ervaren dat een plaats innemen in de ruimte gevaarlijk of onvoorzichtig kan zijn (bv. bij het openen van deuren rekening houden met eventuele personen aan de andere kant van de deur),

9.16 Kinderen bewegen zich op een verantwoorde manier en dragen zo bij tot de eigen veiligheid en die van anderen.
Dat houdt in dat ze:
-          hun (spel)gedrag aanpassen aan de omstandigheden (bv. de drukte, de weersomstandigheden, de traphal,…),
-          plaatsen herkennen waar veilig kan worden gespeeld, (bv. een woonerf) en waar niet,
-          weten om te gaan met hindernissen op hun weg,
9.17 Kinderen houden in hun gedrag rekening met andere gebruikers van dezelfde ruimte.
Dat houdt in dat ze:
-          zich houden aan afspraken omtrent het gebruik van een ruimte,
-          verkeersgeluiden kunnen identificeren, onderscheiden en lokaliseren,

9.18 Kinderen ontwikkelen zich tot vaardige en voorzichtige voetgangers.
Dat houdt in dat ze:
-          veilig kunnen oversteken onder begeleiding,

9.19 Kinderen ontwikkelen een verantwoord en vaardig fietsgedrag.
Dat houdt in dat ze:
-          een veilige fiets gebruiken,

9.21 Kinderen kunnen een eenvoudige route uitstippelen met het openbaar ervoer.
Dat houdt in dat ze:
-          de betekenis kennen van pictogrammen, (pijl, uitgang, toilet,…),

Een bundel voor de krokusvakantie

 Toen ik in het tweede leerjaar stond, zorgde ik meestal voor een werkbundel in de vakantie. Sommige leerkrachten vinden dat helemaal niet n...