dinsdag 10 november 2015

Doelen wero - deel 2

Ik vertelde jullie zaterdag al over de werodoelen die in de eerste graad bereikt moeten worden. Je hebt meteen ook gezien dat dit nogal een korte lijst was. Uiteraard houden we het hier niet bij en ging ik ook op zoek naar andere doelen die in het eerste en tweede leerjaar al een aanzet moeten krijgen. Dit zijn er uiteraard heel wat meer, maar dat kan onze lessen alleen maar boeiender maken. Vandaag krijg je dus een overzicht van de doelen met een stippellijn.

Wil je ze meteen downloaden, kijk dan hier.

OVERKOEPELENDE DOELSTELLINGEN
Basisvaardigheden
0.9   Kinderen kunnen nauwkeurig waarnemen met al hun zintuigen.
Dat houdt in dat ze:
-          gericht observeren in functie van een vraag

0.11 Kinderen kunnen kwalitatief en kwantitatief vergelijken
Dat houdt in dat ze:
-          gelijkenissen en verschillen kunnen vaststellen van objecten of producten op gebied van
·         sterkte, veerkracht, hardheid, opslorpingsvermogen
-          lengte, oppervlakte, volume, massa… kunnen meten met voor hen bekende hulpmiddelen
-          eigen werkwijzen vergelijken met andere werkwijzen en daarover een oordeel kunnen geven

0.12 Kinderen kunnen uit een aantal vaststellingen zelf conclusies trekken.
Dat houdt in dat ze:
-          waarnemingen met elkaar kunnen confronteren en zo tot vaststellingen komen,
-          vaststellingen kunnen combineren tot een besluit

0.13 Kinderen kunnen informatiebronnen op een doeltreffende manier hanteren.
Dat houdt in dat ze:
-          bij het zoeken naar informatie doeltreffend gebruiken kunnen maken van:
·         catalogi, (alfabetische) registers, trefwoordenlijsten en inhoudstabellen,
-          een gesprek kunnen voeren of een kort interview kunnen afnemen,

0.14 Kinderen kunnen informatie ordenen, rubriceren, classificeren
Dat houdt in dat ze:
-          kunnen ordenen
·         op basis van minstens één criterium
-          de kenmerken waarop een ordening steunt, kunnen verantwoorden

0.15 Kinderen kunnen verslag uitbrengen over hun bevindingen
Dat houdt in dat ze:
-          waarnemingen tijdens een leerwandeling, een demonstratie, een onderzoek … kunnen noteren en weergeven
·         meer mathematisch: in tabellen, in grafieken …
-          verslag kunnen uitbrengen over een taakgroep

MENS EN LEVENSONDERHOUD
Dingen maken/diensten aanbieden
1.2 Kinderen zien in dat mensen arbeid verrichten om in hun levensonderhoud te voorzien
Dat houdt in dat ze:
-          kunnen illustreren dat:
·         veel vormen van arbeid wel een inkomen opleveren
·         er eerlijke en minder eerlijke vormen van productie ijn
·         er milieuvriendelijke en minder milieuvriendelijke vormen van productie zijn

1.3 Kinderen beseffen dat samenwerking met anderen nodig is om een aantal arbeidstaken zo goed mogelijk te kunnen verrichten.
Dat houdt in dat ze:
-          ervaren dat verschillende taken onderling afhankelijk zijn

1.4 Kinderen zijn er zich van bewust dat arbeidsomstandigheden kunnen verschillen
Dat houdt in dat ze:
-          weten dat bij sommige jobs verschillende werktijden voorkomen,
-          weten dat arbeid soms in gevaarlijke of ongezonde omstandigheden werd en wordt uitgevoerd
-          weten dat er moderne vormen van slavernij bestaan
-          het onderscheid kennen tussen werkgevers en werknemers

1.5 Kinderen zien in dat mensen allerlei beroepen uitoefenen en tonen respect voor elk beroep
Dat houdt in dat ze:
-          kunnen illustreren dat beroepen vaardigheden vereisen die niet noodzakelijk aan een geslacht gebonden zijn,
-          kunnen illustreren dat op dit ogenblik sommige beroepen vooral door mannen, en andere vooral door vrouwen worden uitgeoefend,
-          kunnen illustreren dat door de evolutie van de techniek veel beroepen nu anders worden uitgeoefend dan vroeger,
-          respectvol omgaan met beroepsgroepen die in de samenleving ten onrechte weinig waardering krijgen

1.6   Kinderen zien in wat werkloosheid betekent.
Dat houdt in dat ze:
-          weten dat werkloosheid voor veel mensen een probleem is

Welvaart en welzijn
1.7 Kinderen zien in hoe een samenleving er voor zorgt en zorgde dat aan de levensnoodzakelijke behoeften van zo veel mogelijk mensen voldaan wordt.
Dat houdt in dat ze:
-          ervaren, vaststellen en uiten dat de gemeenschap (bv. de overheid) in onze samenleving zorgt voor: ziekenhuizen, tehuizen, thuisverzorging, wegen, water- en energievoorziening, uitkeringen, onderwijs, gemeenschappelijk vervoer,…

1.8   Kinderen beseffen dat welvaart ongelijk verdeeld is.
Dat houdt in dat ze:
-          vaststellen dat er ook in onze samenleving nog mensen leven, die zo weinig bezitten dat zij aan hun levensnoodzakelijke behoeften nauwelijks of maar zeer gedeeltelijk kunnen voldoen,
-          kunnen illustreren dat welvaart ongelijk verdeeld was en is
(in hun directe omgeving, in België en in de wereld)

1.10 Kinderen beseffen dat er een onderscheid is tussen welzijn en welvaart.
Dat houdt in dat ze
-          ervaren,  vaststellen en uiten dat:
·         veel ‘behoeften’ kunstmatig worden opgewekt (o.a. door de reclame),
-          vaststellen en uiten dat:
·         welvaart afhangt van de mogelijkheid om gebruik te maken van goederen en diensten,
·         het ongebreideld streven naar welvaart mensen toch niet altijd gelukkig maakt,
·         welzijn te maken heeft met gezondheid, levenslust en het genieten van kosteloze dingen

Verhandelen en consumeren
1.11 Kinderen zien in dat de productie van goederen en diensten leidt tot ruilverkeer.
Dat houdt in dat ze:
-          ervaren, vaststellen en uiten dat
·         goederen en diensten geruild kunnen worden,
·         een ruilmiddel van waarde kan veranderen,
·         dat ‘betalen’ betekent dat goederen en diensten geruild worden voor geld,
·         dat geld een handig ruilmiddel is,
-          kunnen illustreren met voorbeelden uit hun leefwereld wat verhandelen, winst en verlies inhouden,

1.12 Kinderen zijn er zich van bewust dat consumptie wordt beïnvloed.
Dat houdt in dat ze:
-          kunnen illustreren met voorbeelden uit hun leefwereld dat hun gedrag (als consument) beïnvloed wordt door de reclame en de media.

1.13 Kinderen zien in hoe je verantwoord omgaat met geld.
Dat houdt in dat ze:
-          vaststellen en uiten dat geld in verschillende vormen voorkomt: baar geld, cheques, betaalkaarten, overschrijvingen,…
-          vaststellen en uiten dat landen verschillende munten hebben en dat men in Europa streeft naar een eenheidsmunt

Onderlinge afhankelijkheid
1.15 Kinderen ontdekken dat mensen en landen sterk afhankelijk zijn van elkaar voor hun levensonderhoud.
Dat houdt in dat ze:
-          ervaren, vaststellen en uiten dat producenten afhankelijk zijn van toevoer van grondstoffen,


MENS EN ZINGEVING
Mensen geloven

2.1 Kinderen zien in dat elke mens gelooft.
Dat houdt in dat ze:
-          ervaren, vaststellen en uiten dat elke mens zich bij voorkeur wendt tot personen in wie hij gelooft,
-          ervaren, vaststellen en uiten dat in iemand geloven betekent dat men elkaar wederzijds vertrouwt,
-          met ervaring en vaststellingen uit hun leefwereld het verschil kunnen verduidelijken tussen iets weten en iets geloven.

2.2 Kinderen zijn er zich van bewust dat veel mensen hun leven zin geven door hun geloof in een waardengeheel en/of in een persoonlijke God.
Dat houdt in dat ze:
-          ervaren, vaststellen en uiten:
·         dat elke mens leeft volgens een aantal waarden waarin hij gelooft.
·         hoe mensen in hun dagelijks leven uitdrukking (ge)geven (hebben) aan hun geloof o.a. door gewoonten, gebruiken, feesten, vieringen, riten, herdenkingen, kledij, symbolen, verhalen, kunst, ontspanning, muziek,…
·         dat het geloof in een persoonlijke God beleefd wordt in verschillende godsdiensten zoals het christendom, de islam, het jodendom,…
-          verdraagzaam zijn voor de geloofsbeleving van anderen in zover die in overeenstemming is met de fundamentele Rechten van de Mens en met de Rechten van het Kind.

2.3   Kinderen ontdekken hoe mensen omgaan met grote momenten in het leven.
Dat houdt in dat ze:
-          vaststellen en uiten dat veel mensen geloven (geloofden) in een of andere vorm van voortbestaan na de dood (hemel, reïncarnatie,…)

Mensen zijn uniek
2.6 Kinderen worden zich bewust van hun eigen levensverhaal en van de samenhang ervan met andere levensverhalen.
Dat houdt in dat ze:
-          vragen en bedenkingen durven en kunnen uiten bij zowel zeer prettige (geboorten, communie, huwelijk,…) als zeer pijnlijke momenten (dood, ongeval, verminking,…) in hun leven of dat van anderen,

Mensen geven richting aan hun leven
2.7   Kinderen zien in dat iedereen zijn leven een stuk in handen neemt.
Dat houdt in dat ze:
-          ervaren, vaststellen en uiten dat het benutten van eigen mogelijkheden een goed gevoel kan geven,
-          ervaren, vaststellen en uiten hoe mensen eigen mogelijkheden trachten aan te wenden,
-          vaststellen en uiten hoe mensen hier en elders, vroeger en nu, waarden beleven/beleefden die aan de grondslag liggen van geluk,
-          vaststellen en uiten dat de richting van hun leven vaak bepaald wordt door omstandigheden en andere mensen,
-          vaststellen en uiten dat ‘geluk’ berust op de beleving van waarden als genegenheid, goedheid, rechtvaardigheid, respect, solidariteit, tolerantie, vriendschap, waarheid.

2.9 Kinderen zien in dat veel mensen hun leven zin geven door een of andere vorm van arbeid te verrichten.
Dat houdt in dat ze:
-          ervaren, vaststellen en uiten dat veel mensen plezier beleven aan het verrichten van (hand)arbeid,
-          vaststellen en uiten dat veel mensen plezier beleven aan het verwerven en ontwikkelen van kennis of ideeën,
-          vaststellen en uiten dat veel mensen genoegen beleven aan allerlei vormen van dienstbaarheid.

2.10 Kinderen deken na over de eigen mogelijkheden en keuzes.
Dat houdt in dat ze:
-          kritisch durven zijn over de eigen vooropgestelde waarden.




MENS EN HET MUZISCHE
Open staan voor
3.2 Kinderen zijn zich bewust van de gevoelens die schoonheidservaringen bij hen oproepen en durven die uiten.
Dat houdt in dat ze:
-          nadenken over wat ze voelen als ze met iets moois worden geconfronteerd

3.3 Kinderen merken verschillende schoonheidsaspecten op in hun omgeving.
Dat houdt in dat ze:
-          aspecten als licht, ruimte, lijn, vorm, patroon, compositie, harmonie, kleur, authenticiteit, textuur, ritme, … kunnen herkennen.

3.4 Kinderen zien in dat verschillende mensen verschillende schoonheidscriteria hanteren.
Dat houdt in dat ze:
-          ervaren, vaststellen en uiten dat iets mooi vinden gebonden is aan mode, stijl, trends, persoon, leeftijd, tijdsgeest

Expressie
3.5 Kinderen houden rekening met verschillende schoonheidsaspecten als ze zelf iets maken of uitdrukken

Kijk op kunst
3.7 Kinderen vormen zich een eigen mening over allerlei kunstuitingen waarmee ze in contact komen.
Dat houdt in dat ze:
-          openstaan voor nieuwe ervaringen en zich niet laten leiden door voorbarige oordelen en clichés in denken en voelen,
-          de boodschap achter een kunstwerk trachten te begrijpen door zich vragen te stellen, als:
·         Wat zie, hoor, voel, proef, ruik ik?
·         Wat is het effect ervan op mij?
·         Welke middelen werden gebruikt?
·         Waarover gaat het?
·         Wat is de bedoeling ervan?
·         Voor wie is het bestemd?
·         In welke omstandigheden werd het gemaakt?
·        

3.8   Kinderen ontwikkelen tot vaardige kunstbeschouwers.
Dat houdt in dat ze:
-          ervaren dat een visueel beeld al dan niet vergezeld van een nieuw geluid steeds een nieuwe werkelijkheid  kan oproepen,

3.10 Kinderen zien in dat mensen en gemeenschappen veel waarde hechten aan kunst.
Dat houdt in dat ze:
-          vaststellen en uiten dat mensen kunst verhandelen






MENS EN MEDEMENS
Ik ken mezelf

4.1 Kinderen ontwikkelen een gedifferentieerd beeld van zichzelf.
Dat houdt in dat ze:
-          kunnen inschatten welke taken ze aankunnen en met welke taken ze moeilijkheden hebben,
-          ervaren en uiten dat het beeld dat ze van zichzelf hebben ontwikkelt en/of verandert.
-         

4.2 Kinderen ontwikkelen vertrouwen in eigen mogelijkheden.
Dat houdt in dat ze:
-          iets wat ze nog niet kunnen, zien als een uitdaging om bij te leren,
-          eigen mogelijkheden, kenmerken, indrukken, gedachte, gevoelens, wensen, beperkingen, voorkeuren, waarderingen durven en willen uitdrukken,
-          de bereidheid tonen zich te oefenen in omgangsvaardigheden waarin ze minder sterk zijn.
-         

4.3 Kinderen ontwikkelen een genuanceerde kijk op hun eigen gevoelens en gaan er op een adequate wijze mee om.
Dat houdt in dat ze:
-          hun taalgebruik in verband met het eigen gevoelsleven verfijnen,
-          kunnen beschrijven wat ze voelen en wat ze doen in een concrete situatie,
-          aan de hand van eigen ervaringen kunnen illustreren dat zowel hun gedrag als hun gevoelens situatiegebonden zijn
-         

Ik ga om met anderen
4.5 Kinderen kunnen zich verplaatsen in de gedachten, gevoelens en waarnemingen van anderen en houden daar rekening mee.
Dat houdt in dat ze:
-          in gedachten, gevoelens en reacties van anderen verschillen en gelijkenissen met zichzelf herkennen,
-          zich kunnen voorstellen welke gedachten, gevoelens en reacties hun gedrag (gewild of ongewild) bij anderen oproept,
-          beseffen dat hun indruk van iemand voor verandering vastbaar is,

4.6 Kinderen kunnen zich als persoon present stellen.
Dat houdt in dat ze:
-          Spontaan iets van zichzelf vertellen

4.9 Kinderen kunnen leiding volgen of meewerken.
Dat houdt in dat ze:
-          met inzet meespelen in een ploegenspel

4.10 Kinderen kunnen leiding geven.
Dat houdt in dat ze:
-          verslag kunnen uitbrengen over een taakgroep,
-          in een kringgesprek het initiatief kunnen nemen voor een gespreksonderwerp,
-          verantwoordelijkheid voor een groepstaak op zich kunnen nemen,
-         

4.11 Kinderen kunnen een ander helpen door zich dienstbaar op te stellen.
Dat houdt in dat ze:
-          Attent zijn voor de specifieke noden en verwachtingen van gehandicapten,
-         

4.13 Kinderen kunnen constructief kritisch zijn.
Dat houdt in dat ze:
-          op beleefde wijze ouderen duidelijk durven maken wat die volgens hen fout doen,
-          leren maatschappelijke wantoestanden zien en aanklagen,
-         

4.14 Kinderen kunnen zich op een passende manier weerbaar opstellen.
Dat houdt in dat ze:
-          zich weten te verdedigen als ze uitgelachen of gepest worden,
-          op een gepaste wijze kunnen tussenbeide komen wanneer iemand door een leeftijdgenoot onheus behandeld wordt,
-          bij conflicten met leeftijdsgenoten zoeken naar een geweldloze oplossing,
-          zich weten te verdedigen tegen ongewenste lichamelijke nabijheid of intimiteit,
-         

4.15 Kinderen kunnen zich discreet opstellen als derden daar niet door benadeeld worden.
Dat houdt in dat ze:
-          zich op de achtergrond kunnen houden,
-          geen roddel rondstrooien
-          zich onpartijdig kunnen opstellen,
-         

4.16 Kinderen kunnen ongelijk of onmacht toegeven.
Dat houdt in dat ze:
-          eigen onkunde of mislukking kunnen toegeven zonder valse excuses,
-          zich verontschuldigen na een tekortkoming, fout of ruzie,
-          durven uiten wat ze niet begrepen hebben of niet weten of waaraan ze twijfelen,
-          gerechtvaardigde kritiek kunnen aanvaarden,
-         


MENS EN SAMENLEVING
Groepen
5.1 Kinderen zijn er zich van bewust dat mensen bij één of meer groepen behoren.
Dat houdt in dat ze:
-          ervaren en verwoorden dat ze zelf deel uitmaken van een aantal groepen:
·         religieuze groep, etnische groep,…
-          kunnen illustreren dat de meeste mensen er nood aan hebben in een of ander groepsverband samen te leven,
-          kunnen ervaren dat groepen vaak ontstaan doordat een aantal mensen eenzelfde groepsdoel nastreven en willen samenwerken om dat doel te bereiken,

5.4 Kinderen beseffen dat ze in een multiculturele samenleving leven.

Dat houdt in dat ze:
-          ervaren, vaststellen en uiten dat er binnen onze samenleving allerlei groepen van mensen leven met een verschillende levensstijl (bv. jeugd, migranten, arbeiders, religieuzen, ouderen, jetset),
-          kunnen illustreren dat arbeids- en vluchtelingenmigratie een rol hebben gespeeld in de ontwikkeling van onze multiculturele samenleving,
-          vaststellen en uiten dat migratie:
·         allerlei oorzaken kan hebben

5.5 Kinderen ontdekken dat groepen van mensen in een land van een ander cultuurgebied op een andere manier samenleven.
Dat houdt in dat ze:
-          vaststellen dat deze mensen waarden en normen bezitten die soms verschillen maar vaak ook gelijk zijn aan de onze,
-          aspecten van het dagelijks leven van deze mensen kunnen vergelijken met het eigen leven,
-         

Regels
5.6 Kinderen zien in dat samenleven het naleven van allerhande omgangsvormen, leefregels en afspraken veronderstelt en kunnen zich daaraan houden.
Dat houdt in dat ze:
-          ervaren dat lidmaatschap van een groep rechten, maar ook plichten inhoudt,
-          ervaren, vaststellen en uiten dat afspraken kunnen veranderen afhankelijk van plaats, tijd, situatie,…
-          rekening houden met onuitgesproken regels binnen een groep.

5.8 Kinderen kunnen illustreren dat er een regelgeving is die geldt voor alle mensen.
Dat houdt in dat ze:
-          Met concrete voorbeelden uit hun leefwereld het belang kunnen aantonen van de fundamentele Rechten van de Mens en van de Rechten van het Kind en zien daarbij in dat rechten en plichten complementair zijn

5.9 Kinderen beseffen dat ze door verkeersregels strikt tot te passen zichzelf en anderen beschermen en ze handelen daarnaar.
Dat houdt in dat ze:
-          bij verplaatsingen altijd anticiperen op mogelijk gevaar en begrip tonen voor andere (zwakke) weggebruikers,
-          de verkeerstekens, -borden en –regels voor voetgangers en fietsers kennen en correct naleven om zich veilig te verplaatsen langs een voor hen vertrouwde route.

Instellingen
5.10 Kinderen zien in dat er binnen onze samenleving instellingen zijn die de kwaliteit van het samenleven trachten te bevorderen.
Dat houdt in dat ze:
-          ervaren en vaststellen dat er allerlei vormen van controle en inspectie zijn zoals politie, rijkswacht, gerecht, brandweer,… maar ook onderwijs-, eetwaren-, auto-inspectie,…
-          kunnen illustreren op welke wijze internationale intstellingen zoals Greenpeace, WWF, UNICEF, Rode Kruis, Artsen zonder grenzen,… ernaar streven om het welzijn en/of de vrede in de wereld te bevorderen,
-          ervaren en vaststellen wat de rol is van:
·         allerlei verenigingen zoals sportclubs, milieuverenigingen, vakverenigingen, jeugdbewegingen, kinderjury’s,…
·         allerlei raden zoals sportraad, schoolraad, milieuraad, gemeenteraad,…
-         

Macht en gezag
5.11 Kinderen zien in dat (groepen van) mensen en instellingen vaak macht en/of gezag uitoefenen.
Dat houdt in dat ze:
-          beseffen dat sommige mensen meer en andere minder invloed hebben op de goede gang van zaken binnen een groep,
-          ervaren, vaststellen en uiten dat macht kan worden aanvaard (= gezag) of ondergaan,
-          vaststellen dat de invloed van mannen en vrouwen in groepen vaak ongelijk verdeeld is,

5.15 Kinderen gaan democratisch om met macht.
Dat houdt in dat ze:
-          hun eigen invloed (macht) in de klassengroep, vriendengroep,… kunnen inschatten,
-          in de eigen groepen zoveel mogelijk streven naar machtsdeling

5.16 Kinderen zetten zich mee in om in hun leefwereld vormen van machtsmisbruik te voorkomen.
Dat houdt in dat ze:
-          rekening houden met de waarden en normen die andere kinderen belangrijk vinden
-          vormen van discriminerend spreken en gedrag (o.a. racisme, seksisme, pestgedrag) kunnen herkennen,
-          ervaren en uiten dat stereotypen en vooroordelen gebaseerd zijn op onbekendheid met anderen en/of vrees voor het verlies van eigen macht,


MENS EN TECHNIEK
Materialen
6.1 Kinderen zien in dat courante producten gemaakt zijn uit welbepaalde materialen en/of grondstoffen.
Dat houdt in dat ze:
-          ervaren en uiten uit welke materialen en/of grondstoffen allerlei voorwerpen gemaakt zijn,

Energie
6.2 Kinderen kennen verschillende energiebronnen.
Dat houdt in dat ze:
-          Vaststellen en uiten dat hout, steenkool, aardgas, aardolie,… brandstoffen zijn die omgezet kunnen worden in energie.

Instrumenten
6.4 Kinderen zien in dat veel voorwerpen in hun omgeving een aanvulling of verbetering zijn van menselijke functies en maken er functioneel gebruik van.
Dat houdt in dat ze:
-          vaststellen en uiten waarvoor bepaalde instrumenten worden gebruikt,
-          vaststellen en uiten welke voorwerpen toepassingen zijn van hefbomen, katrollen, lenzen, kogellagers, bewegingsoverbrenging van tandwielen.

Systemen
6.7 Kinderen kunnen op hun niveau uitleggen hoe een aantal distributiesystemen in hun omgeving zorgen voor aanvoer van water, energie,…
Dat houdt in dat ze:
-          op hun niveau uitleggen hoe systemen voor watertoevoer, waterafvoer, riolering, gasdistributie, elektriciteitsdistributie, verwarming werken,
-          kunnen illustreren dat systemen voor transport van water, energie,… verschillen van plaats tot plaats,
-         

6.8 Kinderen zien in dat in hun omgeving verschillende informatieverwerkende toestellen voorkomen, waarvan ze er zelf enkele kunnen instellen en/of bedienen.
Dat houdt in dat ze:
-          diverse voorbeelden kunnen geven van informatieverwerkende toestellen zoals een alarmsysteem, machines die automatisch in werking treden, pc’s, zakrekenmachines, gsm, een thermostaat, allerlei schakelborden, videorecorder, cd-speler,
-          een cd-speler, een videorecorder, een zakrekenmachine, een pc, een cassetterecorder,… zelf kunnen bedienen.

6.9 Kinderen weten dat mensen steeds nieuwe systemen, instrumenten en producten hebben uitgevonden en zullen uitvinden om hun werk aangenamer, beter, vaardiger, sneller, mooier, preciezer,… te maken.
Dat houdt in dat ze:
-          vaststellen dat sommige mensen met (nieuwe) uitvindingen:
·         toch kunnen  werken (bv. een blinde met een braillecomputer),
·         toch kunnen leven (bv. een nierpatiënt),
·         toch veel dingen kunnen doen (bv. iemand met een kunstbeen of in ene rolstoel),
-          waardering opbrengen voor de positieve resultaten van technologische ontwikkeling.

6.10 Kinderen zijn zich bewust van de relatieve waarde van technische systemen.
Dat houdt in dat ze:
-          ontdekken dat ze techniek en het massale audiovisuele aanbod zelf kunnen beheersen (bv. de afstandsbediening gebruiken om de TV uit te zetten),
-          inzien dat veel technieken tal van risico’s insluiten (verkeer, milieu, ongevallen,…)
-          ervaren, vaststellen en uiten dat door allerlei systemen het comfort van mensen vaak sterk verhoogt

Technisch denkproces
6.11 Kinderen kunnen zeggen aan welke eisen een bestaande constructie en een constructie die ze zelf willen maken, moet voldoen.
Dat houdt in dat ze:
-          kunnen informeren dat een deur open en dicht moet kunnen gaan, een stoel het gewicht van een volwassene moet kunnen dragen, een auto moet kunnen rijden,…

6.12 Kinderen kunnen hun materialenkennis en hun kennis van constructie-, bereidings- en bewegingsprincipes gebruiken bij het ontwerpen van een constructie of bereiding.

Dat houdt in dat ze:
-          bij het ontwerp van een bewegende constructie rekening houden met de grootte en de werking van tandwielen,…
-          bij het ontwerp van een constructie er rekening mee houden of het gebruikte materiaal kan worden geschroefd, genageld of gelijmd,…
-          bij het voornemen om hapjes te bereiden, er rekening mee houden dat sommige voedingsstoffen bij warmte vlug verzuren,…
-         

6.13 Kinderen kunnen een constructieactiviteit of een bereiding correct uitvoeren.
Dat houdt in dat ze:
-          aan de hand van een al dan niet zelfgemaakte, eenvoudige werktekening of handleiding het geschikte materiaal en gereedschap kiezen en daarmee de constructieactiviteit of de bereiding stap voor stap juist en veilig uitvoeren.

6.14 Kinderen kunnen gebruik maken van hun kennis over en vaardigheid in techniek om een bereiding te maken en een constructie uit elkaar te halen of in elkaar te zetten.
Dat houdt in dat ze:
-          hun materialenkennis en hun kennis van constructie- en bewegingsprincipes functioneel kunnen toepassen,

6.15 Kinderen kijken kritisch naar een zelfgemaakt product of bereiding.
Dat houdt in dat ze:
-          ervaren dat een product degelijk is als het voldoet aan een aantal cultuur- en tijdgebonden criteria (bv. duurzaamheid, gebruiksvriendelijkheid, milieuvriendelijkheid, vormgeving, doelgerichtheid, veiligheid).

6.16 Kinderen kunnen in concrete ervaringen stappen van het technische proces herkennen (het probleem stellen, oplossingen ontwikkelen, maken, in gebruik nemen, evalueren).

6.17 Kinderen kunnen illustreren dat technische realisaties moeten worden onderhouden.

6.18 Kinderen kunnen met techniek omgaan in verschillende toepassingsgebieden.
Dat houdt in dat ze:
-          bij technische realisaties binnen verschillende toepassingsgebieden van techniek technische systemen, het technisch proces, hulpmiddelen en keuzen kunnen herkennen.
-          bij technische realisaties uit verschillende toepassingsgebieden van techniek kunnen aangeven dat ze nuttig, gevaarlijk en/of schadelijk kunnen zijn:
·         voor anderen,
·         voor natuur en milieu.


MENS EN NATUUR
Het leven op aarde
Eenheid en verscheidenheid
7.3 Kinderen ontdekken in hun omgeving een aantal levensgemeenschappen of biotopen.
Dat houdt in dat ze:
-          in hun omgeving een bos, park, duin, strand, sloot, wei, braakliggend stuk grond, tuin, berm,… als levensgemeenschap herkennen,
-          daarin veel voorkomende planten en dieren herkennen en benoemen.

7.4 Kinderen zien in dat mensen, dieren en planten een grote verscheidenheid in kenmerken vertonen.
Dat houdt in dat ze:
-          kunnen verwoorden dat lichamelijke verschillen tussen mensen diverse oorzaken kunnen hebben (sekse, individuele aanleg, ontwikkeling, oefening, aandoening of handicap, milieuomstandigheden),

7.5 Kinderen ontdekken dat er tussen mensen onderling, dieren onderling en planten onderling veel gelijkenissen bestaan.
Dat houdt in dat ze:
-          basisbegrippen om de uitwendige bouw van een dier te beschrijven, correct kunnen hanteren: kop, buik, staart, veren, klauw, bek, nek, vin, kieuw, schub, schelp,…
-          basisbegrippen om de uitwendige bouw van een plant te beschrijven, correct kunnen hanteren: wortel, stengel, stam, blad, bloem, vrucht, zaad,…

Instandhouding van het individu en de soort
7.6 Kinderen zien in dat mensen, dieren of planten op een eigen manier trachten in leven te blijven.
Dat houdt in dat ze:
-          ontdekken dat groene planten zonder licht en water niet kunnen leven,

7.7 Kinderen zien in at mensen, dieren, planten aangepast zijn aan een leefwijze in een bepaald milieu.
Dat houdt in dat ze:
-          bij organismen kenmerken kunnen aangeven waaruit blijkt dat ze aangepast zijn aan hun omgeving (bv. voor voeding, beschutting, verdediging en aan omgevingsinvloeden zoals vervuiling, seizoenen…),
-          een verband kunnen leggen tussen de kenmerken van een dier of plant en de leefwijze in een bepaald milieu.

7.8 Kinderen ontdekken dat planten, dieren en mensen zich op een of andere manier voortplanten.
Dat houdt in dat ze:
-          een aantal fasen kunnen onderscheiden in de voortplanting  van mensen en dieren: hofmaking, partnerkeuze, paring, bevruchting, dracht, geboorte, broedzorg, zogen,…
-          vaststellen dat planten zich op verschillende manieren voortplanten (door middel van zaden, sporen, wortelstokken,…; door afleggen, scheuren,…),

7.9 Kinderen ontdekken en zien in dat elke mens, elk dier en elke plant een ontwikkeling doormaakt.
Dat houdt in dat ze:
-          lichamelijke kenmerken die ze bij zichzelf en anderen waarnemen (bv. tandenwisseling), herkennen als normale aspecten in hun ontwikkeling,
-          stadia in een ontwikkeling kunnen onderscheiden en chronologisch rangschikken,
-          vaststellen dat een ontwikkeling vaak minder goed verloopt dan men zou willen,
-          vaststellen dat elke mens, elk dier, elke plant uiteindelijk dood gaat.

Interacties tussen mens, dier en plant
7.10 Kinderen ontdekken en zien in dat veel mensen de aanwezigheid van planten en dieren in hun omgeving waarderen en/of beïnvloeden.

Dat houdt in dat ze:
-          vaststellen dat veel mensen zich goed voelen te midden van planten en dieren,
-          vaststellen dat menselijke activiteiten oorzaak kunnen zijn van lucht, water- en bodemverontreiniging (bv. ongevallen met tankers),
-          vaststellen dat menselijke activiteiten de natuur (soms) vernietigen (bv. de aanleg van wegen),
-          vaststellen dat mensen de aanwezigheid van planten of dieren trachten te beheersen (bv. door de jacht, de bescherming van plantensoorten)


Zorg om de eigen gezondheid
7.14 Kinderen zien in dat leefgewoonten de gezondheid kunnen bevorderen en handelen er naar.
Dat houdt in dat ze:
-          gezonde en ongezonde leefgewoonten in verband kunnen brengen met wat ze weten over het functioneren van het eigen lichaam (voldoende beweging, rust en hygiëne, gezonde voeding, vermijden van overbelasting…),
-          weten welke basisproducten thuishoren in een gezond voedselpakket en in welke verhouding,
-          aan de hand van eigen ervaringen die samenhang kunnen illustreren tussen lichamelijk fit zijn, zich geestelijk goed voelen en een gezonde omgeving,

7.15 Kinderen trachten door hun gedrag gezondheidsrisico’s te vermijden.
Dat houdt in dat ze:
-          voorzorgen in acht nemen die de kans op kleine ongevallen, verwondingen, infectieziekten, besmetting met parasieten, … en allergieën verminderen of uitsluiten,
-          weten hoe ze een beroep kunnen doen op een arts, een vertrouwenspersoon, een hulpverlenende instantie,

7.16 Kinderen kunnen elementaire hulp verlenen.
Dat houdt in dat ze:
-          elementaire hulp kunnen toedienen bij brandwonden,
-          handelingen steriel kunnen uitvoeren,
-          lichte schaafwonden, neusbloedingen en kleine snijwonden kunnen verzorgen.

De aarde als leefruimte
De aarde als bron
7.17 Kinderen beseffen dat de aarde bron is van energie en van grondstoffen.
Dat houdt in dat ze:
-          zich ervaren bewust zijn dat voor hen bekende voedingsmiddelen en gebruiksgoederen maar geproduceerd kunnen worden dankzij elementen van de aarde,
-          inzien dat iets maken altijd leidt tot een of andere vorm van afval,
-          voorbeelden kunnen geven van hun bekende energiebronnen en grondstoffen die worden gebruikt of hergebruikt,
-          kunnen illustreren dat de aarde als bron niet onuitputtelijk is,
-          vaststellen en uiten dat sommige energiebronnen afval achterlaten en andere niet,
-          op hun niveau kunnen uitleggen waarom energiebronnen als zon, wind en water bij voorrang moeten worden aangewend.

7.18 Kinderen gaan op hun niveau zorgzaam om met hun milieu.
Dat houdt in dat ze:
-          kunnen vaststellen en uiten hoe ze zelf en andere mensen op positieve, maar ook op negatieve wijze omgaan met bodem, energie, lucht, water,…

Natuurkundige aspecten
7.19 Kinderen kunnen, na experimenteren, enkele gangbare stoffen en materialen benoemen en ze groeperen volgens gemeenschappelijke kernmerken of eigenschappen.
Dat houdt in dat ze:
-          de kleur, de vervormbaarheid, de oplosbaarheid, de brandbaarheid, de samendrukbaarheid, de textuur, … van metaal, hout, lood, glas, kunststoffen, textielvezels, papier, water, zout, olie, lucht,… vaststellen en aantonen.

7.20 Kinderen kunnen een verband leggen tussen de eigenschappen van een aantal materialen en het gebruik dat er van gemaakt wordt.
Dat houdt in dat ze:
-          kunnen uitleggen dat hout gebruikt wordt voor vloeren, omdat het mooi is,isoleert en warm aanvoelt; glas voor broeikassen omdat het lichtdoorlatend is en de lucht onder het glas snel opwarmt; papier voor servetten omdat het absorbeert,…

7.21 Kinderen kunnen natuurkundige verschijnselen onderzoeken en hun zelf geformuleerde voorspellingen toetsen.
Dat houdt in dat ze:
-          eenvoudige proeven kunnen uitvoeren in verband met luchtdruk, licht, geluid, zwaartekracht, magnetisme, elektriciteit, uitzetting, verandering van de aggregatietoestand,…

De aardebol
7.23 Kinderen hebben een voorstelling van de planeet waarop ze leven.

Dat houdt in dat ze:
-          ruimtefoto’s van de planeet aarde herkennen en er kunnen over vertellen,

7.24 Kinderen ervaren en zien in dat het weer kan verschillen naar plaats en tijd.
Dat houdt in dat ze:
-          de weersgesteldheid die zich op een bepaald moment voordoet, kunnen beschrijven (wat betreft temperatuur, neerslag, windsnelheid, windrichting, bewolking),
-          op een bepaald moment en over een beperkte periode de weersgesteldheid (qua temperatuur, neerslag, windsnelheid, bewolking) kunnen meten,


MENS EN TIJD
Tijdbeleving
8.1   Kinderen beseffen dat tijdbeleving subjectief is.
Dat houdt in dat ze vaststellen dat:
-          de tijd vliegt bij aangename gebeurtenissen.,
-          de tijd lijkt vooruit te kruipen wanneer men ergens op wacht,
-          ‘tijd hebben voor’ en ‘genieten van’ te maken heeft met ‘tijd maken voor’ en ‘willen genieten van’,
-         

8.2   Kinderen ervaren dat diverse factoren een rol spelen bij de beleving van de tijd (humeur, betrokkenheid, verwachting, leeftijd,…) en kunnen dat uiten.

8.3 Kinderen kunnen de tijd die ze nodig hebben voor een voor hen bekende bezigheid, realistisch inschatten.
Dat houdt in dat ze kunnen voorspellen:
-          hoelang ze aan een taak of opdracht (bv. informatie opzoeken), een huistaak, een toets, zullen werken

Dagelijkse tijd
8.5   Kinderen ervaren en uiten dat hun leven een opeenvolging van gebeurtenissen is.
Dat houdt in dat ze:
-          basisbegrippen en courante aanduidingen in verband met de dagelijkse tijd in hun juiste betekenis gebruiken. Begrippen als:
·         dinsdag van vorige week, verleden zondag, veertien dagen geleden, voor twee weken, over tien dagen, de namen van de seizoenen, de namen van de maanden,
·         tijdsaanduidingen op uitnodigingen en openings- en sluitingstijden

8.7   Kinderen kunnen een planning maken in de tijd en er zich aan houden.
Dat houdt in dat ze:
-          een schoolagenda functioneel kunnen gebruiken,

In de tijd ordenen/meten
8.8 Kinderen zien in dat tijd op verschillende manieren gemeten kan worden en kunnen een aantal tijdmeetinstrumenten hanteren.
Dat houdt in dat ze:
-          een wijzeruurwerk, een digitale klok, een stopwatch, een minutenteller,… kunnen hanteren,

8.9   Kinderen kunnen vaardig omgaan met verschillende kalenders.
Dat houdt in dat ze:
-          een kalender kunnen gebruiken om gebeurtenissen uit het eigen leven in de tijd te situeren,
-          de tijd tussen twee gebeurtenissen met een kalender correct kunnen bepalen.

8.11 Kinderen kunnen de eeuwenband en een tijdband van de grote perioden in de Europese geschiedenis functioneel gebruiken.
Dat houdt in dat ze op de eeuwenband of tijdband:
-          een aantal belangrijke economische en sociale samenlevingsvormen, gebeurtenissen, objecten, figuren, gebouwen, fenomenen,… kunnen situeren, onder andere:
·         duidelijke historische elementen in hun omgeving,
·         uitvindingen als het schrift, de stoommachine, de film, radio, televisie,…
·         vervoermiddelen als kar, trein, vaartuigen, vliegtuigen,…

Evolutie
8.12 Kinderen zien in dat mensen, dieren, planten, objecten, opvattingen, structuren,… evolueren in de tijd.
Dat houdt in dat ze:
-          hun eigen evolutie kunnen ‘lezen’ op foto’s van henzelf uit de baby-, peuter-, kleuter- en lagere schooltijd,
-          met voorbeelden kunnen aantonen dat dieren en planten evolueren in de tijd,
-          met voorbeelden kunnen aantonen hoe dagelijkse gebruiksvoorwerpen, kleding, gebouwen, in de tijd evolueren,
-          weten dat door de evolutie van de techniek het leven van mensen verandert,

8.13 Kinderen zijn nieuwsgierig naar de historische ontwikkeling van planten, dieren, mensen, voorwerpen, systemen, actuele toestanden.
Dat houdt in dat ze:
-          vragen tellen bij en actief op zoek gaan naar de voorgeschiedenis van hedendaagse fenomenen als ontspanning en vrije tijd, arbeid, speelgoed, communicatie, samenlevingsvormen, feesten, woningbouw,…

Beginnend historisch besef
8.14 Kinderen beseffen dat er naast een heden, ook een verleden en een toekomst zijn.
Dat houdt in dat ze:
-          met voorbeelden uit hun leven, uit dat van hun familie en uit de schoolomgeving duidelijk kunnen maken wat ‘verleden’, ‘heden’ en ‘toekomst’ is,
-          weten waarom een aantal gebouwen en plaatsen waaronder kastelen, hoeven, burchten, abdijen, kathedralen, stadhuizen, belforten, historische waarde hebben,
-          kunnen fantaseren en uiten hoe hun leven er over 10, 20, 30 … jaar uit zal zien,
-          de historische achtergrond van verscheidene feesten kennen (o.a. kerkelijke feesten, jaarfeesten),
-          verwondering en waardering tonen voor historische objecten, fenomenen,…

8.15 Kinderen zien in dat er verbanden zijn tussen een historische verschijnsel en de tijdsomstandigheden.
Dat houdt in dat ze:
-          met voorbeelden kunnen illustreren dat er veel dingen van nu wel of niet hetzelfde zijn als vroeger en kunnen onderzoeken waarom dat zo is,
-         

8.16 Kinderen beseffen dat kennis nemen van het verleden altijd gebeurt vanuit bronnen die vaak onvolledig of beperkt zijn.
Dat houdt in dat ze inzien dat:
-          verhalen, afbeeldingen worden gemaakt of verteld met bepaalde bedoelingen (zoals sagen, legenden, glasramen, devotiebeelden, bijbel),


MENS EN RUIMTE
Ruimtebeleving
9.1 Kinderen ervaren en uiten dat elke (open) ruimte een indruk oproept of nalaat en dat verschillende factoren daarbij een rol spelen.
Dat houdt in dat ze:
-          beseffen dat het karakter van een ‘beleefde’ ruimte afhankelijk is van de eigen gemoedsgesteltenis, de duur van het verblijf, de actuele gezondheidstoestand.

Ruimtelijke inrichting
9.5 Kinderen kunnen een ruimte aangenaam en functioneel helpen inrichten.
Dat houdt in dat ze:
-          er rekening mee houden dat voorwerpen in een ruimte in relatie staan met elkaar naar gelang van de nabijheid, de veiligheid, de bereikbaarheid, het comfort (zandtafel, leeshoek, speelplein, bakker, bank,…).

9.6 Kinderen kunnen een omgeving typeren als overwegend landelijk, stedelijk, toeristisch en/of industrieel.
Dat houdt in dat ze:
-          in een landschap gericht kunnen waarnemen,
-          afbeeldingen van landschappen herkennen, bv. getand en afgerond berglandschap, woestijn-, stads-, toeristisch, industrielandschap.

9.7 Kinderen zien in dat mensen vaak ruimten afbakenen en/of grenzen trekken.
Dat houdt in dat ze:
-          grenzen herkennen in hun eigen omgeving (perceelsgrens, gemeentegrens, provinciegrens, taalgrens, landsgrens),
-          begrippen als wijk, gehucht, dorp, deelgemeente, fusiegemeente, stad, provincie, gewest, gemeenschap, land en continent correct kunnen hanteren
Kaartvaardigheid
9.8 Kinderen kunnen zich vlot in de ruimte oriënteren.
Dat houdt in dat ze:
-          de windstreken (hoofd- en tussenrichtingen) kunnen bepalen
·         volgens de zonnestand en het uur van de dag,

9.9 Kinderen kunnen gebruik maken van diverse voostellingen van de ruimte.
Dat houdt in dat ze:
-          de voor hen bekende plaatse kunnen terugvinden op een plattegrond, een luchtfoto,
-          gebruik kunnen maken van
·         legenden,
-          een legende kunnen aanleggen door gebruik van kleuren, punten, lijnen, vlakken, symbolen,

Mobiliteit
9.16 Kinderen bewegen zich op een verantwoorde manier en dragen zo bij tot de eigen veiligheid en die van anderen.
Dat houdt in dat ze:
-          kunnen de gevaarlijke verkeerssituaties in de ruimere schoolomgeving lokaliseren en er zich veilig in verplaatsen,
-          beschikken over voldoende reactiesnelheid, evenwichtsbehoud en gevoel voor coördinatie.

9.17 Kinderen houden in hun gedrag rekening met andere gebruikers van dezelfde ruimte.
Dat houdt in dat ze:
-          oplossingen kunnen voorstellen om ‘verkeersconflicten’ te vermijden,
-          inspelen op het verschillende gedrag van weggebruikers (bv. snel/traag),
-         

9.18 Kinderen ontwikkelen zich tot vaardige en voorzichtige voetgangers.
Dat houdt in dat ze:
-          veilig kunnen oversteken zonder begeleiding,
-          de principes van preventief voetgangersgedrag in concrete verkeerssituaties kunnen toepassen.

9.20 Kinderen kunnen een te volgen reisweg uitstippelen, aan elkaar beschrijven en de afstand ervan berekenen.
Dat houdt in dat ze:
-          de te volgen weg tussen twee plaatsen in de eigen omgeving kunnen beschrijven en aanduiden op een plattegrond

Geen opmerkingen:

Een reactie posten