Voor de vakantie kregen de kinderen al een aanzet tot 100. Het is zo dat de schoolgaande jeugd in België in het eerste leerjaar tot 20 leert rekenen om daarna in het tweede de stap tot 100 te wagen. Tellen tot 100 valt al bij al mee (en vinden ze ook heel erg leuk), maar de structuur van zo'n getal is niet zo evident. Wat houdt dat getal nu precies in? Hoe ziet het eruit? Hoe schrijven we het zelf?...
Om de aanleerfase wat boeiender te maken, probeer ik naast de handleiding en het werkboek een aantal dingen uit te werken. Op die manier hoop ik dat alle leerlingen van mijn klas de getallen tot 100 onder de knie krijgen.

Met die staafjes kunnen leerlingen getallen gaan leggen.
Voorbeeld: 54, kinderen leggen vijf staafjes en 4 losse. Het is de bedoeling dat kinderen gaan verwoorden wat ze leggen en waarom ze dat doen. De leerkracht kan hier getallen gaan dicteren, maar de kinderen kunnen ook samenwerken met een buur. Het is heel normaal dat de leerlingen de getallen in het begin gaan omwisselen. Ze leggen bijvoorbeeld vier staafjes en vijf losse. Na een paar dagen oefenen, zouden de kinderen deze oefening onder de knie moeten hebben.
Er kan ook een getal met staafjes en losse aan het bord getoond worden waarbij de kinderen dan een getal moeten gaan noteren.
Die oefeningen met de staafjes en het tellen tot 100 probeerden we voor de vakantie al uit, maar ik wil de kinderen vanaf volgende week weer nieuwe uitdagingen geven. Daarom zal ik hier de komende weken nog heel regelmatig oefeningen tot 100 posten.
De kaartjes van 1 tot en met 100 maakte ik al een tijdje terug, maar ik drukte ze nog niet af. In de vakantie zal ik dus een setje of zes maken die dan hopelijk weer een aantal jaren van dienst kunnen zijn.

Wil je ook gebruik maken van deze kaartjes? Surf dan snel hierheen.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten